De klacht was ingediend door de ex-echtgenoot van de dochter van de accountant. De twee waren eind 2021 gescheiden. De accountant had sinds 2016 op informele basis en kosteloos de gezamenlijke aangiften verzorgd. In juni 2022 diende hij, op verzoek van zijn dochter, een IB-aangifte in over het jaar 2021, waarin ook gegevens van de ex-echtgenoot waren opgenomen. Die had op 30 april 2022 echter zelf al aangifte gedaan. Toen hij later bericht kreeg van de Belastingdienst dat zijn verzamelinkomen op nihil was vastgesteld, bleek dat er namens hem opnieuw aangifte was gedaan.
Familierelatie
De accountant voerde aan dat hij binnen de familiesfeer handelde en dat de werkzaamheden daarom niet onder het formele tuchtrecht zouden moeten vallen. De Accountantskamer wees die redenering af: ook als werkzaamheden onbezoldigd en binnen de privésfeer worden verricht, geldt het volledige normenkader van de Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGBA) indien sprake is van een professionele dienst.
De Kamer benadrukte dat de accountant geen inkomensgegevens van klager had ontvangen, en daaruit had moeten afleiden dat hij niet (meer) gemachtigd was om namens hem op te treden. Een eventuele machtiging uit het verleden vervalt wanneer duidelijk blijkt dat de betrokkene geen medewerking meer verleent. De enkele verwijzing naar een bepaling in het echtscheidingsconvenant — waarin is opgenomen dat de ex-partners in overleg gezamenlijk aangifte zouden doen indien dat fiscaal gunstig was — bood volgens de Kamer geen juridische of feitelijke grondslag voor zelfstandige indiening namens de ex-schoonzoon.
Geen bewijs
De klager stelde dat de accountant mogelijk gebruik had gemaakt van zijn DigiD, hetgeen in strijd zou zijn met de AVG. De accountant ontkende dit en gaf aan gebruik te maken van professionele fiscale software (Nextens eXcellerate). Aangezien de klager dit niet weerlegde en er geen bewijs werd overgelegd, achtte de Accountantskamer dit onderdeel van de klacht niet aannemelijk.
Geen tuchtrechtelijk verwijt
Een tweede klacht betrof het vermeende weigeren van de accountant om mee te werken aan de intrekking van een doorlopende machtiging. De Kamer oordeelde dat dit klachtonderdeel ongegrond is. De accountant had de klager uit zijn systeem verwijderd, en de automatische berichten van de Belastingdienst betreffen verzoeken aan de belastingplichtige zelf. Volgens de Kamer lag het op de weg van klager om hier adequaat op te reageren.
Waarschuwing
De Accountantskamer achtte een waarschuwing passend. Hoewel het handelen mogelijk deels te verklaren is vanuit de emotionele situatie na de echtscheiding van zijn dochter, achtte de Kamer de schending van de fundamentele beginselen van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid ernstig genoeg voor een tuchtrechtelijke maatregel. “Betrokkene had kunnen en moeten kiezen uitsluitend voor zijn dochter aangifte te doen,” aldus de uitspraak.
De waarschuwing wordt opgenomen in het openbare register zodra deze onherroepelijk is. De accountant moet daarnaast het door klager betaalde griffierecht van €70 vergoeden. Tegen de uitspraak staat binnen zes weken hoger beroep open bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Lees hier de uitspraak.