Een bv verkoopt zogenoemde magische truffels, wat schimmelstructuren zijn die tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen onder de grond groeien (sclerotia). De truffels bevatten psychoactieve stoffen, te weten psilocine en psilocybine, die bij consumptie psychedelische effecten geven. Magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd en vallen niet onder de Opiumwet zodat zij vrij kunnen worden gekweekt en verhandeld.
Voedingsmiddel voor menselijke consumptie
In september 2019 deelt de Belastingdienst op zijn website mee dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddelen moeten worden aangemerkt en dat de levering daarvan is belast naar het in artikel 9, lid 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968. De bv heeft in 2020 en 2021 btw afgedragen tegen het algemene tarief, maar maakt daar later bezwaar tegen omdat zij van mening is dat de levering van de truffels onder het verlaagde btw-tarief valt. Dat bezwaar wordt door de inspecteur afgewezen. In de procedure die uiteindelijk voor de Hoge Raad belandt is het de vraag of magische truffels kwalificeren als voedingsmiddelen voor menselijke consumptie.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde eerder dat het verlaagde btw-tarief niet van toepassing is, omdat magische truffels niet kwalificeren als eetwaren die plegen te worden gebruikt voor menselijke consumptie in de zin van post a.1, letter a, van Tabel I. Hoewel de magische truffels noodzakelijke voedingsstoffen bevatten, worden deze naar het oordeel van het hof uitsluitend geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van die voedingsstoffen, namelijk voor de psychedelische effecten. De magische truffels kunnen vanwege deze effecten slechts in kleine hoeveelheden worden geconsumeerd waardoor de inname van noodzakelijke voedingsstoffen via de magische truffels verwaarloosbaar is.
Is levering paddo ’s wel belast naar lage tarief?
De bv had bovendien voor het hof het standpunt ingenomen dat het beginsel van rechtszekerheid meebrengt dat de levering van magische truffels in de betrokken tijdvakken is onderworpen aan het verlaagde tarief. De BV verwijst hierbij naar arresten van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2014:3611 van ECLI:NL:HR:2014:3613 en ECLI:NL:HR:2015:1671. In deze arresten oordeelde de Hoge Raad over het toepasselijke tarief op soortgelijke producten als magische truffels, te weten paddo’s. Uit die arresten trekt de bv de conclusie dat aangezien paddo’s eetbaar zijn, zij moeten worden aangemerkt als voedingsmiddelen waarvan de levering is belast naar het verlaagde tarief. En dat daaraan niet afdoet dat paddo’s als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd.
De wetgever geeft op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang met post a.1, aanhef en letter a, van Tabel I aangegeven dat aan het verlaagde tarief onderworpen is de levering van ‘voedingsmiddelen, te weten eet- en drinkwaren die plegen te worden aangewend voor menselijke consumptie’. De Hoge Raad sluit met de uitleg over het begrip voedingsmiddelen aan bij de uitleg door het Hof van Justitie. De toegevoegde waarde moet betrekking hebben op ‘alle producten met voedingsstoffen die dienen voor de opbouw, de energievoorziening en de regulering van het menselijk organisme en noodzakelijk zijn voor de instandhouding, de werking en de ontwikkeling van dat organisme’.
Hoeveelheid noodzakelijke voedingsstoffen verwaarloosbaar
Het oordeel van het gerechtshof, dat het verlaagde tarief niet kan worden toegepast op de levering van magische truffels, laat de Hoge Raad dan ook in stand omdat dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Omdat magische truffels uitsluitend worden geconsumeerd voor een ander doel dan het innemen van voedingsstoffen, heeft het hof onderbouwt dat magische truffels vanwege hun hallucinerende werking slechts in kleine hoeveelheden kunnen worden geconsumeerd. En dat bij inname van magische truffels in die kleine hoeveelheden de hoeveelheid noodzakelijke voedingsstoffen verwaarloosbaar is geworden. Dit oordeel, dat van feitelijke aard en niet onbegrijpelijk is, kan in cassatie niet met succes worden bestreden, aldus de Hoge Raad.
Om van het beroep op het rechtszekerheidsbeginsel een succes te kunnen maken bepleit de bv dat, om producten te kunnen aanmerken als voedingsmiddelen in de zin van post a.1 van Tabel I, het voldoende is dat zij eetbaar zijn en dat het feit dat een eetbaar product als genotmiddel pleegt te worden geconsumeerd daaraan niet afdoet. Het beroep op de genoemde arresten kan de Hoge Raad niet volgen. In die arresten is naar het oordeel van de Hoge Raad geoordeeld, met betrekking tot het begrip pootgoed voor de teelt van groenten en fruit zoals bedoeld in post a.3 van Tabel I, dat de in die post genoemde groenten en fruit behoren tot de in post a.1 van Tabel I bedoelde voedingsmiddelen.
Sclerotica zijn geen groente
Alle voor menselijke consumptie bestemde, dus eetbare, planten en plantendelen, vruchten en ook paddenstoelen vallen onder de in post a.3 van Tabel I genoemde begrippen ‘groenten’ en ‘fruit’. Hiervan uitgaand heeft de Hoge Raad geoordeeld dat paddo’s als eetbare paddenstoelen behoren tot de in post a.1 van Tabel I vermelde voedingsmiddelen, en dat daaraan niet afdoet dat zij vanwege hun hallucinerende werking als genotmiddel plegen te worden geconsumeerd.
In al deze arresten is niet geoordeeld dat alle mogelijk eetbare producten, ongeacht soort, samenstelling, voedingswaarde of vorm, onder voedingsmiddelen in de zin van post a.1, letter a, van Tabel I worden begrepen. Sclerotia zijn, anders dan paddenstoelen, dat wil zeggen de eetbare vruchtlichamen van een zwam of schimmel, niet als een groente te beschouwen. Aan de arresten kan daarom niet de zekerheid worden ontleend dat ook de schimmels die tussen de zwamdraden van bepaalde paddenstoelen onder de grond groeien (sclerotia) tot de in post a.1 van Tabel I vermelde voedingsmiddelen behoren.
Het gerechtshof heeft terecht het door de bv gedane beroep op het rechtszekerheidsbeginsel verworpen. Daarmee wordt ook het beroep van de bv in cassatie ongegrond verklaard.
Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2026:450
