De kritiek in zijn wetenschappelijke artikel richt zich vooral op de hoge belastingdruk en de behandeling van illiquide vermogen, zoals aandelen in bv’s en start-ups. Juist daar kunnen in de praktijk knelpunten ontstaan, omdat belasting moet worden betaald over waardestijgingen die nog niet zijn gerealiseerd.
Alternatieven geen uitweg
Alternatieven bieden volgens Ziesemer, die directeur is van het Instituut voor Publieke Economie, geen uitweg. Een vermogenswinstbelasting leidt tot uitstelgedrag en minder efficiënte kapitaalallocatie, terwijl een vermogensbelasting zowel economisch als juridisch problematisch is.
Voor de praktijk ligt de grootste uitdaging bij de afbakening van illiquide vermogen. De huidige uitzonderingen voor start-ups zijn volgens hem te grof. Niet de leeftijd van een onderneming, maar de verhandelbaarheid van het vermogen zou leidend moeten zijn. Dat raakt direct aan adviesvragen rond aandelenbeloningen, vastgoedstructuren en box 2/box 3-posities.
Inflatie nog buiten beschouwing
Daarnaast wijst Ziesemer op de relatief hoge reële belastingdruk doordat inflatie buiten beschouwing blijft. Aanpassing van het heffingsvrije resultaat ligt volgens hem meer voor de hand dan een forse tariefsverlaging. Conclusie van zijn artikel is dat het stelsel blijft, maar de uitwerking wordt nog erg bepalend. Met name rond illiquide vermogen en verliesverrekening ontstaan naar zijn idee nieuwe adviesvraagstukken en risico’s.
