Een in 2005 opgerichte bv koopt in dat jaar een rijksmonument aan dat vervolgens verbouwd en gerenoveerd wordt naar een horecaruimte met vier bovenwoningen. Het pand wordt daarna geëxploiteerd door middel van verhuur. Het pand wordt volgens een akte van levering in maart 2022 verkocht en geleverd aan een derde. In haar aangifte vennootschapsbelasting over 2022 geeft de bv een belastbare winst en belastbaar bedrag aan van € 464.906. De bv brengt daarbij een bedrag van € 796.365 ten laste van haar winst.
Multivastgoed-arrest
De inspecteur legt de aanslag 2022 op waarbij hij de in de aangifte opgevoerde kosten met € 700.000 corrigeert. Voor de rechtbank Noord-Holland is het de vraag of de inspecteur de kosten terecht niet in aftrek heeft toegelaten.
De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast bij de bv ligt om bij betwisting aannemelijk te maken dat tegenover de kosten een tegenprestatie heeft gestaan, dan wel dat de kosten zijn gemaakt met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming.
De bv betoogt dat de kosten aftrekbaar zijn omdat dit een prestatievergoeding dan wel een aanvullende management fee betreft die verschuldigd is aan twee gelieerde vennootschappen. De bv stelt dat na aankoop van het pand mondelinge afspraken zijn gemaakt over een (prestatie)vergoeding voor werkzaamheden rond de verbouwing, renovatie en daarna verkoop van het pand. Deze mondelinge afspraken zijn volgens de bv in 2022 schriftelijk vastgelegd. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst de bv naar het Multivastgoed-arrest (HR 17 augustus 1998, ECLI:NL:HR:1998).
Geen reële tegenprestatie
De rechtbank is van oordeel dat de bv niet aannemelijk heeft gemaakt dat tegenover de betaling van € 700.000 een reële tegenprestatie heeft gestaan. Uit de door de bv overgelegde stukken en wat op de zitting is aangevoerd, is onduidelijk welke concrete werkzaamheden zijn verricht, door wie en wanneer, en op welke wijze deze werkzaamheden verband houden met de in aftrek gebrachte kosten van € 700.000.
De gestelde werkzaamheden die volgens de bv zijn verricht, zoals communicatie, projectleiding, financieel beheer en coördinatie met banken ten aanzien van de verbouwing, renovatie en uiteindelijke verkoop van het pand, en de daarvoor gestelde overeengekomen vergoeding zijn niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare bewijsmiddelen daterend uit de tijd dat die afspraken gemaakt zouden zijn.
Fiscaal evenwicht
De rechtbank overweegt dat in het op 22 november 2022 opgemaakte document, na verkoop van het pand, volgens de bv mondelinge afspraken zijn vastgelegd. Los van het feit dat het document pas is opgesteld na verkoop van het pand, bevat dit document een urenstaat over de jaren 2018 tot en met 2022 en een daarbij toegepast tarief zonder dat de herkomst van deze gegevens met objectieve gegevens is onderbouwd.
Behalve de stelling van de bv dat mondelinge overeenkomsten rechtsgeldig zijn en mondelinge afspraken gebruikelijk zijn in de vastgoedbranche, heeft de bv naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat tegenover de betaling van € 700.000 een reële tegenprestatie heeft gestaan. Ook de blote stelling van de bv dat de ontvangen (prestatie-)vergoedingen zijn belast bij de twee gelieerde vennootschappen en dat bij het niet toestaan van aftrek van de kosten bij de bv fiscaal evenwicht ontbreekt, kan niet leiden tot een ander oordeel. De fiscale behandeling bij deze vennootschappen is immers niet bepalend voor de beoordeling of sprake is van aftrekbare kosten bij de bv.
Geen vergelijkbare feiten en omstandigheden
Ook met de door de bv aangehaalde jurisprudentie slaagt de bv er niet in aan te tonen dat de kosten aftrekbaar zijn. De feiten en omstandigheden die ten grondslag lagen aan het aangehaalde Multivastgoed-arrest zijn naar het oordeel van de rechtbank niet vergelijkbaar met die van deze zaak. Hier gaat het om het staven van gestelde feiten en omstandigheden met bewijsmiddelen. Daarin is de bv niet geslaagd.
Omdat tegenover de betaling geen tegenprestaties of zakelijke motieven hebben gestaan, kunnen de overige beroepsgronden van de bv niet slagen. De inspecteur heeft terecht de in aftrek gebrachte kosten van € 700.000 gecorrigeerd.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de inspecteur tijdens de zitting heeft toegezegd in overleg te zullen treden met de twee gelieerde vennootschappen. Dat doet de inspecteur om te bezien of en in hoeverre het door de bv betaalde bedrag van € 700.000 bij deze vennootschappen in de heffing is betrokken en dat, als daartoe aanleiding bestaat, de betreffende aanslagen bij deze vennootschappen zullen worden aangepast.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:6295
