Een man woont in 2018 samen met zijn partner en zij zijn fiscaal partner van elkaar. Tot hun gezamenlijke bezittingen behoren banktegoeden tot bedragen van € 503.323,- (in Nederland) en € 5.855,- (in het buitenland), beleggingen tot een bedrag van € 1.324.016,- en onroerend goed in het buitenland tot een bedrag van € 145.367,-. De inspecteur legt de man een aanslag op berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.297,- en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 39.596,-. Na een ingediend bezwaarschrift wordt via een beschikking rechtsherstel de aanslag verminderd tot een inkomen in box 3 van € 38.318,-.
Waardedaling beleggingen
De man geeft voor de rechtbank Gelderland aan dat de beleggingen in 2018 een waardedaling van 9% hebben ondergaan. Hij stelt verder dat hij van zijn verhuurde appartement in Canada geen huur heeft ontvangen. Het is de man onbekend of het appartement een waardevermeerdering heeft ondergaan, maar mocht dit het geval zijn dan staat dit in geen verhouding tot het rendement waar de inspecteur mee rekent. Gelet op het geleden verlies op beleggingen is de man van mening dat uit dient worden gegaan van de daadwerkelijk ontvangen rente- en dividendinkomsten.
De inspecteur vraagt zich op de zitting af of met de verminderingsbeschikking gebaseerd op het Besluit rechtsherstel niet reeds uitvoering is gegeven aan het door de Hoge Raad geboden rechtsherstel. Als sprake is van het werkelijk rendement dan is hij van mening dat er geen inzage is gegeven in het geleden verlies op beleggingen en in een eventuele waardestijging of daling van de onroerende zaken in Canada en Frankrijk.
Ongerealiseerde verliezen
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van het kerstarrest en het daaropvolgende mei-arrest dient te beoordelen of de inspecteur het Besluit rechtsherstel in dit geval adequaat rechtsherstel aan de man heeft geboden. Voor de op rechtsherstel gerichte compensatie dient te worden aangesloten bij het werkelijk behaalde rendement. Hierbij is geen plaats voor het in aanmerking nemen van (ongerealiseerde) verliezen ter zake van aandelen waarvan het in het geheel niet zeker is dat een verlies zich daadwerkelijk voor zal doen.
Hierdoor is, naar het oordeel van de rechtbank, het gelijk aan de man en dient uit te worden gegaan van de daadwerkelijk ontvangen rente- en dividendinkomsten. Daarom bestaat er voor de rechtbank aanleiding de belastingaanslag verder te verlagen dan reeds bij de verminderingsbeschikking is gedaan. Het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden vastgesteld op € 16.087,-. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Arrest Hoge Raad 6 juni 2024
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verwijst voor de behandeling naar een arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024. Hierin oordeelt de Hoge Raad dat moet worden aangenomen dat ook bij degene die door het forfaitaire stelsel van de Wet rechtsherstel box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, een schending optreedt van zijn door artikel 1 EP in samenhang met artikel 14 EVRM gewaarborgde rechten.
Hierbij gaat het om een vergelijking tussen het werkelijke en het forfaitair bepaalde rendement, waarbij het rendement op het gehele vermogen (zonder aftrek van het bedrag van het heffingvrije vermogen) van de belastingplichtige in box 3 in de beschouwingen dient te worden betrokken. Dus met inbegrip van de banktegoeden en niet alleen het rendement op bepaalde vermogensbestanddelen of categorieën vermogensbestanddelen. Voor de vaststelling van het werkelijke rendement op het gehele vermogen in box 3 moet gekeken worden naar het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in het desbetreffende jaar.
Kosten tellen niet mee bij vaststellen rendement
Het hof overweegt dat bij de vaststelling van het rendement op bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten. En de bewijslast voor de stelling dat het werkelijke rendement lager is dan het (laagste) forfaitair berekende rendement, rust op de belastingplichtige die deze stelling inneemt.
De man licht toe dat er in zijn beleggersportefeuille geen sprake is van gerealiseerde waardeveranderingen en dat er geen wijzigingen zijn aangebracht in de portefeuille, behalve dan herinvestering van dividend. Mutaties in de vermogensbeheer portefeuille betreffen opnames en stortingen die niet eenvoudig individueel van het etiket gerealiseerd rendement of ongerealiseerd rendement voorzien kunnen worden. Volgens de man is de portefeuille als geheel in beginsel “vast” en de waardeverandering moet daarom voorlopig als ongerealiseerd rendement beschouwd worden.
Niet toegelicht hoe waardeverandering is ontstaan
Het hof is van oordeel dat de man met betrekking tot de aandelen die worden beheerd weliswaar heeft aangegeven wat de waarde van deze beleggingen begin en eind 2018 was, maar niet of, en zo ja in hoeverre deze waardeverandering is ontstaan door stortingen in of onttrekkingen aan deze beleggingsportefeuille. Anders dan de man stelt, kan, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, met kosten van beheer bij het bepalen van het werkelijk rendement geen rekening worden gehouden. De man heeft de gepresenteerde cijfers niet onderbouwd met schriftelijke bescheiden.
Hierop gelet heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijke rendement lager is dan het op basis van de Herstelwet berekende forfaitaire rendement. Het hoger beroep van de inspecteur is daarmee gegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:1330
