De overheid is van plan om het ontlopen van dividendbelasting harder aan te pakken en heeft daarom aanvullende maatregelen in consultatie gebracht. Maar om daar iets over te kunnen zeggen, wil de NOB dat het kabinet duidelijker maakt wat nu precies als dividendstripping wordt gezien. “Voor de beoordeling van kwaliteit van wetgeving, en in het bijzonder vanuit het perspectief van effectiviteit, proportionaliteit en rechtszekerheid, meent de NOB dat het gewenst is dat meer richting wordt gegeven op wat in dit kader wel en wat niet als dividendstripping wordt gezien, waarbij de NOB uiteraard begrijpt dat er ruimte moet blijven voor beleid en uitvoering om misbruik te bestrijden.”
Wat moet worden bestreden?
Vijf jaar terug had de orde ook al een oproep tot meer duidelijkheid gedaan bij een vergelijkbare consultatie. “Net als toen, blijft ook in het onderhavige consultatiedocument onduidelijk welke situaties het kabinet wenst te bestrijden met de geconsulteerde maatregelen. Dit maakt het lastig de effectiviteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit van de geconsulteerde maatregelen te beoordelen, omdat onduidelijk blijft welke ongewenste situaties bestreden moeten worden en welke gewenste situaties ongemoeid dienen te blijven.” Ook bij de bestaande maatregelen is daar onduidelijkheid over: “De NOB observeert dat de huidige anti-dividendstrippingmaatregelen en de uitvoering daarvan tot de nodige onrust, zorgen en administratieve lasten leiden.”
Los daarvan noemt de NOB het voornemen een stapeling van maatregelen die mogelijk leidt tot een onnodige verzwaring van administratieve lasten voor belastingplichtigen en onterechte eindheffing in bonafide situaties. Bovendien zijn aangescherpte anti-dividendstrippingmaatregelen uit 2024 nog niet geëvalueerd. “De NOB vraagt zich dan ook af of het kabinet heeft overwogen om deze maatregelen te evalueren om te kunnen beoordelen in hoeverre de aangescherpte maatregelen van 2024 effectief zijn en of en hoe ongewenste samenloop zoveel mogelijk kan worden beperkt.”
Vier mogelijke maatregelen
In het voorstel worden vier mogelijke maatregelen genoemd. De NOB ziet het meest in de zogeheten Duits-Oostenrijkse maatregel, die bepaalt dat de belastingplichtige voor een tegemoetkoming in de dividendbelasting rondom de registratiedatum ten minste 45 dagen economisch risico moet lopen met betrekking tot de onderliggende aandelen. Die is relatief objectief toepasbaar, aldus de orde. “De voorgestelde Nederlandse variant ontbeert echter een expliciete tegenbewijsregeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat ook bonafide situaties zonder reëel dividendstripping-motief worden geraakt.”
Het kabinet denkt ook aan een nettorendementbenadering, maar daar mist de NOB een concrete en
toetsbare operationalisering van de voorgestelde norm. “Hierdoor is voor belastingplichtigen en uitvoerders
onvoldoende duidelijk wanneer de maatregel van toepassing is.”
Een derde mogelijke maatregel is de zogeheten pensioenfondsmaatregel, waarbij vrijstelling of teruggaaf van dividendbelasting niet mogelijk is als een dividend is toe te rekenen aan een bedrijfsmatige activiteit anders dan het beleggen van de ingelegde pensioengelden. Dat vindt de NOB niet objectief toepasbaar omdat vaak gedetailleerde kennis ontbreekt van de feitelijke activiteiten en beleggingspraktijk van het pensioenfonds. De laatste maatregel is de groepsbenadering, die opknippen van dividenstrippen tussen groepsonderdelen moet tegengaan. Daarvoor zijn er te vaak beperkingen om posities en transacties groepsbreed te overzien, aldus de NOB.
