Het adres van het administratiekantoor stond in de systemen van de fiscus weliswaar geregistreerd als ‘verplicht toezendadres’, maar de onderliggende volmacht kon niet meer worden overgelegd. Het gerechtshof Amsterdam vernietigt daarom de verzuimboete en ziet ook geen grond voor omkering en verzwaring van de bewijslast.
Adres administratiekantoor
De vrouw is sinds 2014 dakloos en werkte in 2020 als sekswerker. In de systemen van de Belastingdienst stond het adres van haar voormalige boekhouder geregistreerd als verplicht toezendadres. Naar dat adres stuurde de fiscus in februari 2021 de uitnodiging voor het doen van aangifte inkomstenbelasting over 2020.
De boekhouder liet de Belastingdienst in september van dat jaar weten dat hij de belangen van de vrouw niet langer behartigde omdat zij geen klant meer bij hem was. Toch stuurde de inspecteur ook de herinnering en de aanmaning voor het doen van aangifte naar het kantooradres. In de Basisregistratie Personen stond op dat moment een ander briefadres van de vrouw geregistreerd.
De aangifte kwam uiteindelijk op 25 juni 2022 binnen, terwijl de termijn in de aanmaning op 7 februari was verstreken. De vrouw gaf een belastbaar inkomen uit werk en woning van 13.254 euro aan. De inspecteur stelde dat inkomen bij de aanslag vast op 16.000 euro en legde daarnaast een verzuimboete van 385 euro op.
Registratie in eigen systeem onvoldoende
De rechtbank Noord-Holland oordeelde eerder dat aannemelijk was dat de voormalige boekhouder gemachtigd was om zijn administratiekantoor als verplicht toezendadres op te geven. Volgens de rechtbank kon de vrouw daarom niet met succes aanvoeren dat de aanmaning haar niet had bereikt.
Het hof komt tot een ander oordeel. Voor het opleggen van een verzuimboete op grond van artikel 67a AWR is geen plaats als de aanmaning niet op het adres van de belastingplichtige is ontvangen of aangeboden en de aanmaning haar ook niet op een andere manier heeft bereikt. Dat is alleen anders als dit het gevolg is van omstandigheden die aan de belastingplichtige zijn toe te rekenen.
Daarbij geldt volgens het hof voor een verzuimboete een zwaardere bewijsmaatstaf. De inspecteur moet de bestanddelen van het beboetbare feit overtuigend aantonen. Dat geldt niet alleen voor vergrijpboetes: ook een verzuimboete is een ‘criminal charge’ in de zin van het EVRM.
De inspecteur voerde aan dat het adres van de boekhouder alleen als verplicht toezendadres in de systemen kon zijn opgenomen als daarvoor een schriftelijke volmacht van de vrouw bestond. Die volmacht kon hij echter niet meer overleggen. Volgens de inspecteur was die daarvoor te oud. Hij achtte het vanwege de werkwijze van de Belastingdienst uitgesloten dat het adres zonder medeweten van de vrouw in het systeem was terechtgekomen.
Dat vindt het hof niet genoeg. De stelling dat het adres juist was, steunt slechts op de eigen verklaring van de inspecteur en een uitdraai uit de eigen systemen van de Belastingdienst. De bewijsstukken die volgens de inspecteur aan de registratie ten grondslag moeten hebben gelegen, ontbreken. Ook de niet nader onderbouwde stelling dat de systemen van de Belastingdienst op dit punt altijd juist zijn, is onvoldoende.
Dat enkele eerder naar het kantoor van de boekhouder gestuurde poststukken de vrouw wel hebben bereikt, maakt dat niet anders. De inspecteur heeft daarom niet overtuigend aangetoond dat de aanmaning naar het juiste adres is gestuurd. De verzuimboete wordt vernietigd.
Geen omkering bewijslast
Daarmee houdt ook de door de inspecteur toegepaste omkering en verzwaring van de bewijslast geen stand. Het hof wijst er bovendien op dat de vrouw haar aangifte weliswaar na afloop van de in de aanmaning gestelde termijn indiende, maar ruim negen maanden vóór het opleggen van de aanslagen. De inspecteur kon de aangifte dus nog raadplegen en heeft dat klaarblijkelijk ook gedaan.
De te late indiening betekent daarom niet dat de vereiste aangifte niet is gedaan. Bovendien staat aan toepassing van de bewijssanctie in de weg dat de vrouw volgens het hof niet op behoorlijke wijze is aangemaand. De inspecteur heeft evenmin gesteld dat omkering van de bewijslast gerechtvaardigd zou zijn omdat een aanzienlijk te lage aangifte is gedaan. Het bedrag aan extra verschuldigde belasting als gevolg van de correctie bedraagt volgens het hof in ieder geval niet meer dan 234 euro.
Het gevolg is dat de normale bewijslast bij de inspecteur blijft liggen. Die moet aannemelijk maken dat de correcties op het aangegeven inkomen niet te hoog zijn.
Bankbetalingen wel als inkomsten aangemerkt
Op de bankrekening van de vrouw waren in 2020 zeven betalingen van in totaal 2.550 euro binnengekomen. Het hof acht aannemelijk dat dit betalingen voor haar werkzaamheden waren. Haar verklaring dat het om giften ging, vindt het hof zonder verdere onderbouwing ongeloofwaardig. Dat bij drie overschrijvingen ‘loan’ of ‘lending’ stond vermeld, is evenmin voldoende om aannemelijk te maken dat het daadwerkelijk leningen waren.
Anders ligt dat voor de contante inkomsten die de inspecteur daarnaast in aanmerking had genomen. Daarvoor ontbreekt voldoende onderbouwing. Het argument dat contante betalingen niet ongebruikelijk zijn in de branche waarin de vrouw werkte, is volgens het hof niet genoeg.
Daarbij weegt het hof ook mee dat het om het coronajaar 2020 ging. De vrouw had gewezen op de lockdowns, het verbod op het uitoefenen van contactberoepen, de afname van het aantal toeristen op de Wallen en de angst voor besmetting bij haarzelf en potentiële klanten. De inspecteur maakt daarom niet aannemelijk dat zij naast de bankbetalingen ook contante inkomsten heeft genoten.
Het hof verlaagt de aanslag inkomstenbelasting tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van 15.804 euro en de aanslag Zvw tot een bijdrage-inkomen van 2.550 euro.
Ook het hoger beroep van de inspecteur over de proceskostenvergoeding slaagt niet. Uit de uitspraak op bezwaar en de motivering daarvan bleek niet welk bedrag aan kostenvergoeding daadwerkelijk was toegekend. Een intern overzicht waarin de vergoeding als ‘betaald’ stond geregistreerd, maakt dat niet anders.
Het hoger beroep van de vrouw is daarmee gegrond en dat van de inspecteur ongegrond. De Belastingdienst moet in totaal 4.922 euro aan proceskosten vergoeden.
