Een recent vonnis van de Rechtbank Oost-Brabant (10 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4088) laat zien dat die keuze in een faillissement grote gevolgen kan hebben. Het vonnis maakt ook duidelijk dat de betaalrekening niet bepaalt wie de rechthebbende is.
De casus
Ioniqa, Circulair en Polyester NOW vormden sinds 2019 een fiscale eenheid. Teruggaven werden uitbetaald op de rekening van Ioniqa bij Rabobank. Ioniqa betaalde de bedragen vervolgens door aan de andere deelnemers. Rabobank had Ioniqa en Circulair gefinancierd, maar alleen Ioniqa had haar vorderingen op derden aan de bank verpand.
Kort na de faillissementen in oktober 2024 betaalde de Belastingdienst ruim € 513.000 btw terug over het derde kwartaal. Materieel kwam ruim € 316.000 daarvan toe aan Circulair. Rabobank verrekende het volledige bedrag met haar vordering op Ioniqa.
De vraag was: mocht Rabobank dit doen of heeft zij zich verhaald op het eigendom van een ander?
Het oordeel
De rechtbank volgt de curator. Zij sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad uit 2003 waarin de hoge raad oordeelde:
“De formele belastingschuld voortvloeiende uit een naheffingsaanslag omzetbelasting die aan een fiscale eenheid is opgelegd, moet als een deelbare geldschuld worden beschouwd. De aard van de schuld brengt mee dat deze schuld over de verschillende onderdelen van de fiscale eenheid in beginsel moet worden verdeeld naar de mate waarin elk van de onderdelen materieel aan het ontstaan van de schuld heeft bijgedragen. De beschikking tot teruggaaf van omzetbelasting aan de fiscale eenheid doet een geldvordering op de ontvanger ontstaan die eveneens deelbaar is en waarbij verdeling in beginsel moet plaatsvinden naar gelang de onderdelen materieel aan het ontstaan van de vordering hebben bijgedragen.”
Een teruggaaf aan de fiscale eenheid levert dus een ‘deelbare vordering’ op. Die vordering wordt verdeeld naar de mate waarin iedere deelnemer materieel aan het ontstaan ervan heeft bijgedragen.
De aanwijzing van Ioniqa als ontvanger (art. 43 Iw 1990 en de Leidraad Invordering) betekent alleen dat de fiscus bevrijdend aan haar kan betalen. De vorderingen van de andere deelnemers gaan daardoor niet over op Ioniqa. Ioniqa ontvangt het deel van Circulair slechts ten behoeve van Circulair en moet het intern doorbetalen. Rabobank had geen pandrecht op vorderingen van Circulair en mocht dat deel dus niet verrekenen. De bank moet € 316.577 terugbetalen, vermeerderd met rente en kosten.
Betekenis voor de praktijk
Voor accountants en hun cliënten volgen hieruit drie aandachtspunten:
- Administreer de interne verdeling. Leg per aangifte vast welk deel van de teruggaaf of schuld aan welke deelnemer toekomt. Juist die onderbouwing bleek hier doorslaggevend.
- Bekijk de zekerheden in samenhang met de structuur. Een bank met alleen een pandrecht op de vorderingen van de ontvangende deelnemer is minder gedekt dan de geldstroom doet vermoeden. Een financier kan dat gat dichten door ook de andere deelnemers te laten verpanden.
- Let op bij naderend onheil. Rond een faillissement wordt de vraag wie waartoe gerechtigd is acuut. Een heldere intercompany-positie voorkomt discussie met curator en bank.

Dit artikel is geschreven door Derk van Geel, partner en advocaat Insolventierecht & Herstructurering bij act legal Netherlands.
