In box 3 wordt inkomen uit sparen en beleggen belast. Het gaat onder meer om banktegoeden, beleggingen, een tweede woning en andere bezittingen, rekening houdend met box 3-schulden en de regels voor het heffingsvrije vermogen.
Het tarief over het berekende box 3-inkomen bedraagt in 2026 36%. Sinds 2025 hangt de algemene heffingskorting af van het inkomen in de boxen 1, 2 en 3 samen. Meer box 3-inkomen kan daardoor leiden tot minder heffingskorting.
Dit artikel gaat dus niet over de vraag hoe het rendement precies wordt vastgesteld, maar over de stap daarna: hoeveel extra belastingdruk ontstaat als het vastgestelde box 3-inkomen stijgt?
Van 36% naar ongeveer 42,4%
Voor iemand die in 2026 het hele jaar jonger is dan de AOW-leeftijd, bedraagt de algemene heffingskorting maximaal € 3.115. Tot en met een verzamelinkomen van € 29.736 blijft die korting volledig in stand. Daarboven wordt zij afgebouwd met 6,398% van het extra verzamelinkomen. Vanaf € 78.427 is de korting nihil.
Valt het verzamelinkomen binnen dit afbouwtraject, dan heeft € 1.000 extra box 3-inkomen twee effecten:
- € 360 extra box 3-belasting, namelijk 36% van € 1.000;
- circa € 64 minder algemene heffingskorting, namelijk 6,398% van € 1.000.
Samen is dat ongeveer € 424. De marginale belastingdruk bedraagt dan circa 42,4%. Het gaat om de druk op extra inkomen, niet om het gemiddelde percentage over het hele vermogen of het totale inkomen.
Wanneer geldt welk percentage?
Vereenvoudigd ziet de marginale druk voor iemand die in 2026 het hele jaar jonger is dan de AOW-leeftijd er als volgt uit:
| Verzamelinkomen 2026 | Box 3-tarief | Afbouw algemene heffingskorting | Marginale druk op extra box 3-inkomen |
| Tot en met € 29.736 | 36% | Geen | 36% |
| € 29.737 t/m € 78.426 | 36% | 6,398% | Circa 42,4% |
| Vanaf € 78.427 | 36% | Geen verdere afbouw | 36% |
De opslag van 6,398 procentpunt geldt alleen voor het deel van het extra inkomen dat binnen het afbouwtraject valt. Gaat het verzamelinkomen door de stijging over € 78.426 heen, dan geldt de hogere marginale druk alleen tot die grens.
Voor AOW-gerechtigden kan de druk verder oplopen
Voor iemand die in 2026 het hele jaar de AOW-leeftijd heeft bereikt, bedraagt de afbouw van de algemene heffingskorting 3,195%. Daarnaast wordt de ouderenkorting bij een verzamelinkomen boven € 46.002 afgebouwd met 15%, totdat deze korting vanaf € 59.783 nihil is.
In het inkomenstraject waarin beide kortingen tegelijk worden afgebouwd, kan de marginale druk op extra box 3-inkomen uitkomen op ongeveer 54,2%: 36% box 3-belasting, 3,195% verlies aan algemene heffingskorting en 15% verlies aan ouderenkorting. Ook hier geldt dat dit een marginaal percentage is binnen een specifiek inkomenstraject.
Ook toeslagen kunnen geraakt worden
Box 3-inkomen kan ook doorwerken in het toetsingsinkomen voor inkomensafhankelijke toeslagen. Een hoger toetsingsinkomen kan bijvoorbeeld leiden tot een lagere zorgtoeslag, kinderopvangtoeslag of een lager kindgebonden budget. Daarnaast kennen sommige toeslagen een afzonderlijke vermogensgrens. Het precieze effect verschilt per huishouden en per regeling. Een algemeen percentage is daarom niet te geven.
Wat betekent dit bij een lager werkelijk rendement?
Onder de tegenbewijsregeling wordt het werkelijke rendement gebruikt als dat lager is dan het forfaitair berekende rendement en de belastingplichtige dit doorgeeft. Een lager vastgesteld box 3-inkomen kan dan niet alleen de box 3-heffing verlagen, maar ook leiden tot een hogere algemene heffingskorting en mogelijk hogere toeslagen.
Voorbeeld: daalt het box 3-inkomen met € 5.000 en blijft het verzamelinkomen volledig binnen het afbouwtraject van de algemene heffingskorting, dan kan het totale voordeel ongeveer € 2.120 bedragen. Dat bestaat uit € 1.800 minder box 3-belasting en circa € 320 extra algemene heffingskorting. Persoonlijke omstandigheden kunnen de uitkomst veranderen. Let bij fiscale partners op de verdeling
Fiscale partners kunnen gezamenlijke box 3-bestanddelen in de aangifte onderling verdelen, zolang de gezamenlijke verdeling 100% is. Die keuze kan niet alleen de box 3-heffing beïnvloeden, maar ook de heffingskortingen en mogelijk andere inkomensafhankelijke regelingen van beide partners.
Beoordeel een verdeling daarom op het gezamenlijke resultaat van de aangifte. Alleen vergelijken hoeveel box 3-belasting ieder afzonderlijk betaalt, kan een onvolledig beeld geven.
Wat betekent dit voor de koopkracht van het vermogen?
Bij 3% inflatie en een marginale belastingdruk van 42,4% is rekenkundig een bruto rendement van ongeveer 5,2% nodig om na belasting 3% over te houden. Dit is een vereenvoudigde illustratie. De feitelijke box 3-heffing sluit in het huidige stelsel niet altijd rechtstreeks aan bij het procentuele rendement op het vermogen, en ook kosten en persoonlijke omstandigheden spelen mee.
Hoe kwetsbaar vooral kleinere spaarders en beleggers zijn, bleek uit het inmiddels ingetrokken voorstel om het heffingsvrije vermogen in 2027 te verlagen van € 59.357 (2026) naar € 30.846 per persoon. Ook zou het heffingsvrije inkomen vanaf 2028 dalen van € 1.800 naar € 1.000. Hoewel deze voorstellen na forse kritiek van tafel gingen, laten ze zien hoe snel de belastingdruk voor kleinere vermogens kan oplopen.
Daarbij hebben mensen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van rente, dividend of periodieke verkoop van beleggingen, ook bij de invoering van een vermogenswinstbelasting, minder ruimte om het moment waarop rendement wordt gerealiseerd uit te stellen. Vermogenden die hun beleggingen via een bv aanhouden of de opbrengsten niet direct nodig hebben, beschikken doorgaans over meer mogelijkheden om het moment van belastingheffing te beïnvloeden.
Conclusie: kijk verder dan het box 3-tarief
Het wettelijke box 3-tarief van 36% zegt niet altijd hoeveel een extra euro box 3-inkomen uiteindelijk kost. Door de afbouw van de algemene heffingskorting kan de marginale druk oplopen tot ruim 42%, voor AOW-gerechtigden zelfs tot ruim 54%. Bij toeslagen kan de uitkomst opnieuw anders zijn.
De kern is daarom eenvoudig: kijk niet alleen naar het box 3-tarief, maar naar het effect op de volledige aangifte en, waar relevant, op toeslagen.
NB De invoering van een nieuw box 3-stelsel per 1 januari 2028 is nog onderwerp van wetgeving en politieke besluitvorming.
Tjarko Denekamp en Peter Beets zijn experts vermogensplanning bij ABN AMRO MeesPierson.
