De eiser wordt gedeeltelijk in het gelijk gesteld, maar krijgt slechts een beperkte schadevergoeding toegekend. Een groot deel van de gevorderde schade bestaat uit kosten die de zogeheten dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.
Crypto-libertariër
De zaak draait om de afwijzing van de in Monaco woonachtige crypto-investeerder Olivier Janssens als klant van Deloitte Tax & Legal in 2022. Janssens is een van oorsprong Belgische ondernemer, crypto-investeerder en vroege Bitcoinminer (naar eigen zeggen sinds 2010), die bekend werd als Bitcoinmiljonair en bestuurslid van de Bitcoin Foundation. Hij profileert zich daarnaast ook als libertariër en activist, onder meer via projecten als de Free Society Foundation. Dat initiatief heeft als doel om een libertarische, crypto-gedreven staat te realiseren op een eigen stuk grond. Daarmee kwam hij de afgelopen tijd ook uitgebreid in de media, nadat een plan werd gepresenteerd voor het stichten van een libertarische gemeenschap op Saint Kitts en Nevis.
Weigering en excuses Deloitte
Janssens kocht in 2021 drie appartementen in Cadzand-Bad voor een kleine 14 miljoen euro en wou begin 2022 de belastingadviestak van Deloitte inschakelen om de betaalde btw terug te vragen. Hij werd echter geweigerd als klant, waarbij in een e-mail expliciet werd verwezen naar zijn libertarische gedachtegoed als motivatie om hem af te wijzen.
Na bezwaar van Janssens erkende Deloitte dat de formulering ongelukkig was en bood het excuses aan. Volgens het kantoor speelden ook andere factoren een rol bij de afwijzing, zoals de beperkte opdrachtomvang en het ontbreken van een bestaande klantrelatie. Al werd bevestigd dat zijn libertaire overtuiging en publieke rol daarin mede waren meegewogen, liet een bedrijfsjurist weten namens Deloitte: “niet zozeer dat gedachtengoed zelf waar Deloitte geen standpunt over heeft, maar meer de actieve rol van [verzoeker] in die beweging als “Founding Father / CEO” van het libertarisch genootschap Free Society Foundation en de maatschappelijk beeldvorming omtrent de libertaire beweging.”
Procedures
Janssens legde de kwestie vervolgens voor aan het College voor de Rechten van de Mens, dat eind 2023 oordeelde dat sprake was van verboden discriminatie op grond van politieke gezindheid. Ook werd vastgesteld dat Deloitte de klacht onzorgvuldig had behandeld. Daarnaast liep al een tuchtzaak bij de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, die in hoger beroep resulteerde in een waarschuwing voor de betrokken Deloitte-medewerker.
Na mislukte schikkingsonderhandelingen startte Janssens bovendien een civiele procedure tegen Deloitte. In de civiele zaak eiste de crypto-investeerder onder andere een verklaring voor recht dat het accountantskantoor onrechtmatig handelde en een nader te bepalen schadevergoeding, bleek tijdens de zitting in augustus vorig jaar.
Onrechtmatig handelen
De rechtbank stelt voorop dat de kern van het geschil ligt in de vraag of Deloitte onrechtmatig handelde door Janssens te weigeren vanwege diens politieke overtuiging. Daarbij is van belang dat de crypto-investeerder zich niet verzet tegen de weigering als zodanig, maar tegen de manier waarop die weigering tot stand is gekomen en gemotiveerd is, namelijk met een expliciete verwijzing naar zijn libertarische gedachtegoed.
Vast staat dat Deloitte Tax & Legal Janssens heeft afgewezen en daarbij diens libertarische overtuiging heeft meegewogen, constateert de rechtbank. Dat wordt door Deloitte ook erkend, evenals dat de communicatie daarover onjuist was en aanleiding gaf tot excuses. De rechtbank toetst dit handelen aan het discriminatieverbod uit de Algemene wet gelijke behandeling en artikel 1 van de Grondwet, waarin is bepaald dat bij het aanbieden van diensten geen onderscheid mag worden gemaakt op grond van politieke gezindheid of levensovertuiging.
Om te kunnen beoordelen of daarvan sprake is, gaat de rechtbank eerst in op de vraag of libertarisme onder het begrip ‘politieke gezindheid’ valt. Daarbij sluit zij aan bij het eerdere oordeel van het College voor de Rechten van de Mens. Libertarisme wordt aangemerkt als een samenhangend geheel van politieke opvattingen over de inrichting van de samenleving, waarin individuele vrijheid centraal staat. In dit geval is bovendien niet in geschil dat de door de cliënt aangehangen variant past binnen de kaders van de democratische rechtsstaat. Daarmee valt deze overtuiging onder de bescherming van het discriminatieverbod.
Tegen die achtergrond oordeelt de rechtbank dat de afwijzingsbrief van 5 april 2022 beslissend is. In die brief wordt het libertarische gedachtegoed van Janssens expliciet genoemd als reden voor de weigering. Omdat dit een doorslaggevende rol heeft gespeeld en niet wordt betwist, is sprake van direct onderscheid op grond van politieke gezindheid. Dat is in strijd met de wet en met de maatschappelijke zorgvuldigheid.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat Deloitte Tax & Legal met deze handelwijze onrechtmatig heeft gehandeld jegens de cliënt.
Schade
Volgens Janssens maakte hij aanzienlijke kosten om zijn gelijk te halen, onder meer in de procedures bij het College voor de Rechten van de Mens en de tuchtrechter van de NOB. Die kosten – in totaal ruim € 70.000 – kwalificeert hij als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid in de zin van artikel 6:96 BW. Met name de procedure bij het College was volgens hem noodzakelijk om duidelijkheid te krijgen over zijn rechtspositie, terwijl ook de tuchtprocedures volgens hem bijdroegen aan het onderbouwen van het civielrechtelijke verwijt aan Deloitte.
Deloitte betwistte dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens het accountantskantoor ontbreekt voldoende verband met de civiele procedure en voldoen de kosten niet aan de zogenoemde dubbele redelijkheidstoets: ze waren niet noodzakelijk en bovendien niet redelijk in omvang. Daarbij wijst Deloitte erop dat procedures bij zowel het College als de tuchtrechter niet verplicht zijn om een civiele vordering in te stellen en dat voor beide trajecten geen verplichte procesvertegenwoordiging geldt.
De rechtbank zet eerst het juridische kader uiteen. Voor vergoeding van dit soort kosten moet sprake zijn van een voldoende causaal verband met de aansprakelijkheid, moeten de kosten toerekenbaar zijn, moet het inschakelen van deskundige bijstand redelijk zijn geweest en moeten ook de kosten zelf redelijk zijn. Dat uiteindelijk daadwerkelijk schade wordt vastgesteld, is daarvoor niet vereist.
Het verweer van Deloitte dat de kosten niet door Janssens zelf zouden zijn gedragen, wordt verworpen. De investeerder heeft toegelicht hoe de facturatieconstructie in elkaar zat, en dat de kosten uiteindelijk wel degelijk voor zijn rekening kwamen. Die uitleg is door Deloitte onvoldoende weersproken.
Vervolgens maakt de rechtbank een onderscheid tussen de verschillende procedures. De kosten die Janssens heeft gemaakt voor de tuchtprocedures bij de NOB komen niet voor vergoeding in aanmerking. Volgens vaste rechtspraak dienen tuchtprocedures een ander doel dan civiele aansprakelijkheid – namelijk het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening – en zijn ze in beginsel geen redelijke stap om aansprakelijkheid vast te stellen. Dat de uitkomst van zo’n procedure mogelijk steun biedt in een civiele zaak, maakt dat niet anders. Bovendien waren deze procedures niet noodzakelijk, omdat Janssens ook zonder die route naar de civiele rechter had kunnen stappen, zeker nu hij al een oordeel van het College voor de Rechten van de Mens had.
Anders ligt dat bij de procedure bij het College. De rechtbank ziet het College als de aangewezen instantie om discriminatie te beoordelen, en het oordeel daarvan kan daadwerkelijk bijdragen aan het vaststellen van civiele aansprakelijkheid. In beginsel komen de daarvoor gemaakte kosten dus wel voor vergoeding in aanmerking.
Toch wordt ook hier slechts een beperkt bedrag toegewezen. De rechtbank past de dubbele redelijkheidstoets strikt toe. Hoewel het inschakelen van een advocaat niet onredelijk wordt geacht, acht de rechtbank zes uur aan werkzaamheden tegen een uurtarief van € 300 voldoende. Dat leidt tot een vergoeding van € 1.800, een fractie van het gevorderde bedrag van ruim € 14.000.
Het resterende bedrag aan advocaatkosten – waarvan deels onduidelijk is op welke procedures die betrekking hebben – wordt afgewezen. Voor zover die kosten samenhangen met de tuchtprocedures, stranden ze om dezelfde reden als eerder. Voor het overige ontbreekt voldoende onderbouwing en samenhang met de civiele vordering.
Geen immateriële schadevergoeding
Ook de gevorderde immateriële schadevergoeding van € 750 houdt geen stand. Volgens Janssens is hij in zijn persoon aangetast doordat zijn libertarische overtuiging een wezenlijk onderdeel vormt van zijn identiteit. De rechtbank erkent dat in theorie ook zonder lichamelijk letsel sprake kan zijn van aantasting in de persoon, maar stelt dat daarvoor wel concrete onderbouwing nodig is. Die ontbreekt hier. Het enkele feit dat sprake is van discriminatie is onvoldoende, en van evidente geestelijke schade of een aantasting die zo ernstig is dat deze voor de hand ligt, is geen sprake. Daarbij weegt mee dat de afwijzingsbrief niet nodeloos grievend was geformuleerd en dat Janssens zijn gestelde schade niet nader heeft toegelicht, bijvoorbeeld door persoonlijk ter zitting te verschijnen.
Per saldo blijft van de omvangrijke schadeclaim dus weinig over: alleen een beperkte vergoeding voor de procedure bij het College wordt toegekend, terwijl de rest van de materiële en immateriële schade wordt afgewezen. Ook de vordering van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Wel moet Deloitte Tax & Legal de proceskosten van € 4.236,86 van Janssens vergoeden.
Rechtbank Rotterdam, ECLI:NL:RBROT:2026:2341
