Een in 2001 opgerichte BV leent in 2017 € 282.500,- uit aan een gelieerde BV die in 2016 is opgericht. De voorwaarden van de lening zijn achteraf vastgesteld in een leningsovereenkomst die wel is getekend maar niet gedagtekend. Looptijd en aflossing dienen nog te worden bepaald en ook de zekerheden scheppen weinig duidelijkheid. Hoewel het vermogen van de gelieerde BV structureel is wordt de lening doorgeleend aan een Duitse GmbH waarvan het eigen vermogen eind 2017 en eind 2018 ook negatief is.
De BV waardeert in 2019 en in 2020 de lening ten laste van de winst af tot nihil. De inspecteur bestempelt de lening als onzakelijk en stelt dat de afwaarderingen van de vorderingen in de aangifte vennootschapsbelasting 2019 en 2020 niet ten laste van de winst gebracht mag worden. In beroep voor de rechtbank Gelderland is het de vraag of de lening onzakelijk is en of de BV de rentevorderingen ten laste van de winst kan afwaarderen.
Debiteurenrisico voor onafhankelijke derde
De rechtbank overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of een geldlening tussen gelieerde partijen moet worden aangemerkt als een onzakelijke lening, van belang is of een rente kan worden bepaald waaronder een onafhankelijke derde bereid zou zijn geweest eenzelfde lening te verstrekken. Als de rente zodanig moet worden aangepast dat de lening in wezen winstdelend zou worden, moet worden verondersteld dat een debiteurenrisico wordt gelopen dat de onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.
In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat de betrokken vennootschap dit risico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van haar aandeelhouder te dienen. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet op de winst van de vennootschap in mindering kan worden gebracht. Dat geldt niet alleen wanneer de lening is verstrekt aan de aandeelhouder, maar eveneens indien sprake is van een geldlening aan een met de aandeelhouder gelieerde partij.
Geen zekerheden bedongen
De rechtbank stelt vast de leningsovereenkomst achteraf is opgesteld en dat geen enkele noemenswaardige zekerheden zijn bedongen. Ook het afgesproken pandrecht is niet gevestigd. Op de lening is niet afgelost en de rente is schuldig gebleven. De rechtbank stelt eveneens vast dat de BV jaren achtereen verliezen leed en dar het eigen vermogen steeds negatiever werd. Ondanks dat de financiële situatie van de Duitse GmbH er bepaald niet rooskleurig uitzag is niet aannemelijk geworden dat de Volksbank in Duitsland een concreet voorstel heeft gedaan ten behoeve van de financiering van het werkkapitaal van de GmbH.
Onder deze voorwaarden en omstandigheden acht de rechtbank aannemelijk dat door het verstrekken van de lening de BV een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Dat wil nog niet per definitie zeggen dat omdat een schuldenaar onvoldoende solvabel is, een lening als onzakelijk moet worden aangemerkt. Bijkomende omstandigheden, bijvoorbeeld bepaalde nader te stellen voorwaarden zoals het verstrekken van zekerheden, kunnen ertoe leiden dat toch sprake kan zijn van een zakelijke lening. Naar het oordeel van de rechtbank zijn die bijkomende omstandigheden in dit geval niet aanwezig. Daarom is sprake van een onzakelijke lening.
Rente waarderen op waarde economisch verkeer
De BV wil de rentevorderingen over de jaren 2017 tot en met 2020 in aftrek brengen. In een e-mail naar de BV zegt de inspecteur hierover dat volgens bestaande jurisprudentie het bij een onzakelijke lening in de kapitaalsfeer liggende debiteurenrisico in beginsel mede betrekking heeft op de rente. Die rente moet op vervaldatum worden gewaardeerd op de waarde in het economische verkeer. In 2017 wordt een bedrag van € 270.000,- verstrekt en in 2018 een bedrag van € 12.500,-. De rente vervalt per jaarlijks achteraf, voor de eerste keer op 31 december 2017.
De inspecteur stelt dat, als de BV van mening is dat de waarde in het economische verkeer van de rentevordering op dat moment nihil bedroeg, de BV aannemelijk dient te maken dat al meteen duidelijk was dat de vordering nihil bedraagt en (samen met de rente) nooit betaald zal worden. Dat zou betekenen dat de BV in hetzelfde jaar van verstrekken al van mening zou zijn dat de lening niet betaald zou worden.
Volgens de inspecteur is afwaardering van de rente vermoedelijk pas aan de orde, als de waarde in het economisch verkeer van de hoofdsom nihil bedraagt. Artikel 6:44 lid 1 BW bepaalt dat betaling op een lening in de eerste plaats in mindering van de kosten, vervolgens de rente en tenslotte pas van de hoofdsom en de lopende rente wordt gebracht.
Gewekt vertrouwen
Zowel in 2017 en 2018 stond de vordering voor het volledige bedrag op de balans. Pas in 2019 wordt besloten om de vordering (gedeeltelijk) af te waarderen. Ook dan wordt niet de gehele lening afgewaardeerd; het restant van de hoofdsom wordt pas in 2020 afgewaardeerd. De inspecteur concludeert dat de vordering tot ultimo 2019 een waarde vertegenwoordigde. De inspecteur staat, om de BV toch nog tegemoet te komen, toe dat de rentevordering van het jaar 2019 en 2020 van respectievelijk € 11.300,- en € 2.050,- in die jaren in aftrek kan worden gebracht.
De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur heeft toegezegd en vertrouwen heeft gewekt dat de rentevorderingen van de jaren 2019 en 2020 alsnog in aftrek kunnen worden gebracht zodat in zoverre dat beroep gegrond is.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:9283
