De rechtbank Den Haag oordeelt dat het administratiekantoor terecht is aangemerkt als overtreder van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), omdat het ongeclausuleerd verspreiden van reclamestickers neerkomt op het aanvaarden van het risico dat die in de openbare ruimte worden aangebracht.
Aanleiding voor de zaak waren de twee stickers die begin 2024 werden aangetroffen op respectievelijk een afvalbak en een elektriciteitskastje in Den Haag. De gemeente stelde vast dat daarmee de Haagse APV was overtreden en legde de ondernemer een last onder dwangsom van 1.000 euro op om de stickers te verwijderen. Omdat hieraan geen gehoor werd gegeven binnen de begunstigingstermijn, volgde invordering. In bezwaar werd de dwangsom gematigd tot 500 euro, maar de ondernemer bleef zich tegen de maatregelen verzetten.
Standpunt administratiekantoor
In beroep weersprak de ondernemer achter het administratiekantoor niet dat de stickers door hem zijn verspreid als reclamemateriaal. Wel zou de gemeente hem ten onrechte hebben aangemerkt als overtreder, omdat hij de stickers zelf niet op de openbare afvalbak en het elektriciteitskastje heeft geplakt en hij ook geen functioneel dader is. Hij had namelijk niet de beschikkingsmacht over de stickers en hij heeft de overtreding ook niet aanvaard, voerde de ondernemer aan. Hij weet ook niet wie de stickers heeft geplakt. Het waarschuwen van de ontvangers van het reclamemateriaal zal volgens hem een volgende overtreding niet kunnen voorkomen. Van hem zou ook niet verwacht mogen worden dat hij voorkomt dat stickers in de openbare ruimte worden geplakt.
Beschikkingsmacht
De rechtbank volgt die redenering niet. De rechtbank stelt vast dat de ondernemer in zijn zienswijze heeft vermeld in het verleden marketingmateriaal te hebben verspreid voor het werven van (potentiële) zakelijke klanten (van 2015 tot en met 2022). Namens de ondernemer is ook tijdens de hoorzitting verklaard dat de stickers in eerste instantie aan klanten zijn verspreid en daarnaast ook op vakbeurzen. Het reclamemateriaal werd naar eigen zeggen verder verspreid door klanten, leveranciers en bekenden. Nu de ondernemer een eenmanszaak is, gaat de rechtbank ervan uit dat de ondernemer zelf de stickers heeft verspreid. Door de verspreiding van de stickers heeft de verboden gedraging ook kunnen plaatsvinden. De ondernemer kon dus beschikken over of de gedraging zou plaatsvinden. Dat de ondernemer niet zelf de stickers heeft aangebracht in de openbare ruimte en daarmee de verboden gedraging niet zelf heeft begaan, maakt dit niet anders.
Aanvaarding
Met het ongeclausuleerd aan klanten, leveranciers en bekenden ter beschikking stellen van de stickers, wetende dat deze in strijd met de regels in de openbare ruimte kunnen worden geplakt, heeft de ondernemer niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de overtreding. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de gemeente heeft gewezen op de contactpagina van de website van het administratiekantoor, waarop foto’s te zien zijn van soortgelijke stickers van het administratiekantoor in de openbare ruimte, zoals bijvoorbeeld op een lantaarnpaal. Het plakken van de stickers in de openbare ruimte lijkt hiermee een marketingstrategie (te zijn geweest) en te worden aangemoedigd. Door iedere verantwoordelijkheid voor gebruik van de stickers in de openbare ruimte uit de weg te gaan, heeft de ondernemer willens en wetens het risico aanvaard dat een overtreding wordt begaan. Dit betekent dat de gemeente naar het oordeel van de rechtbank de ondernemer terecht heeft aangemerkt als overtreder en bevoegd was aan de ondernemer een last onder dwangsom op te leggen.
De ondernemer heeft aangevoerd dat het administratiekantoor inmiddels geen nieuwe klanten meer aanneemt, geen klanten heeft uit Den Haag en ook niet op zoek is naar klanten uit Den Haag. Dat de reclame-uitingen niet concreet gericht waren op (potentiële) klanten in specifiek Den Haag, maakt echter nog niet dat de overtreding niet langer aan de ondernemer kan worden toegerekend. De ondernemer wijst verder op een uitspraak van het CBb, maar de rechtbank is het met de gemeente eens dat die uitspraak niet een-op-een vergelijkbaar is omdat in die zaak sprake was van een overeenkomst waarin de onderlinge verhoudingen tussen de betrokkenen waren vastgelegd. Ook een uitspraak van de rechtbank Overijssel waarnaar de ondernemer heeft verwezen is niet een-op-een vergelijkbaar omdat het in die zaak ging om onder meer het afdwingen van een vergunningplicht. Deze zaak daarentegen ziet op een herstelsanctie; er is reeds een overtreding geconstateerd. De rechtbank overweegt dat de ondernemer de overtreding, tot op zekere hoogte, had kunnen voorkomen door aan het gebruik daarvan vooraf voorwaarden te stellen of voorlichting te geven over het gebruik van het reclamemateriaal. Op (het rugpapier van) de stickers had bijvoorbeeld kunnen worden vermeld dat deze niet zijn bestemd voor gebruik in de openbare ruimte.
De beroepen worden daarom ongegrond verklaard.
