De zaak draait om een schenking van €182.503 die in augustus 2022 werd vastgelegd in een notariële akte. De vrouw overleed in februari 2024. Haar dochter, die zich ernstig benadeeld voelde, diende een klacht in tegen de notaris.
Voorstel adviseurs
De schenking kwam niet uit de koker van de notaris zelf, maar werd voorbereid door belastingadviseurs die door de zoon waren ingeschakeld. Zij stelden in maart 2022 een memo op met een voorstel om in dat jaar een bedrag van ruim €182.000 aan de zoon te schenken. Volgens het memo was het de bedoeling dat het voorstel bij de moeder thuis zou worden besproken. Uiteindelijk werd dat gesprek niet gevoerd, omdat de moeder volgens de adviseurs al akkoord was gegaan met het concept. Zij zou het memo op 14 maart 2022 hebben ondertekend. De belastingadviseurs ontvingen vervolgens scans van het ondertekende document via de zoon. Op basis daarvan gingen zij ervan uit dat de schenking doorgang zou vinden en dat zij de aangifte schenkbelasting voor de zoon konden verzorgen.
Twijfels over gezondheid
Op dat moment waren er al signalen dat de gezondheid van de vrouw achteruitging. In 2021 was bij haar mild cognitive impairment (MCI) vastgesteld, een aandoening die op de grens van dementie ligt. Ook had zij een indicatie gekregen voor beschermd wonen met intensieve begeleiding. De dochter stelde later dat haar moeder daardoor mogelijk niet meer in staat was om ingewikkelde financiële beslissingen te overzien. In juli 2022 waarschuwde de advocaat van de dochter de zoon dat hun moeder volgens haar leed aan dementie en last had van wanen. Kort daarna werd bij de rechtbank een verzoek ingediend om haar vermogen onder bewind te stellen.
Schenkingsakte
Ondanks die ontwikkelingen passeerde de notaris op 2 augustus 2022 de schenkingsakte. Dat gebeurde bij volmacht. Een dag eerder hadden de moeder en haar zoon op het notariskantoor een volmacht ondertekend in aanwezigheid van een medewerker van het kantoor. De notaris stelde dat er op dat moment geen aanwijzingen waren dat de vrouw wilsonbekwaam was. Volgens hem sprak zij helder en kon zij goed uitleggen wat haar bedoeling was. De notaris erkende wel dat de vastlegging van dat gesprek beperkt was en dat hij zich niet meer precies kon herinneren hoe het contact met de vrouw was verlopen.
Belastingadviseurs in de fout?
De dochter stelde dat de belastingadviseurs een belangrijke rol speelden bij het tot stand komen van de schenking. Volgens haar hebben zij niet gecontroleerd of de informatie waarop hun voorstel was gebaseerd klopte en ook niet of de handtekening onder het memo daadwerkelijk van haar moeder afkomstig was. Ook zou de schenking slechts één keer telefonisch met de moeder zijn besproken, terwijl haar zoon daarbij aanwezig was. Volgens de dochter had de notaris bovendien zelf nauwelijks contact met haar moeder gehad en was het initiatief voor de schenking volledig van haar broer uitgegaan.
Onder bewind
In november 2022 besloot de kantonrechter de goederen van de vrouw inderdaad onder bewind te stellen. Twee bewindvoerders kregen het beheer over haar vermogen. Toen zij later vragen stelden over de schenking, liet de notaris weten dat zijn kantoor geen signalen had gezien die wezen op mogelijke wilsonbekwaamheid.
Zwaardere maatregel
De kamer voor het notariaat in Amsterdam verklaarde de klacht van de dochter eerder al gegrond en gaf de notaris een waarschuwing. In hoger beroep oordeelde het hof dat die maatregel te licht was. Volgens het hof waren er meerdere signalen die aanleiding hadden moeten zijn om de wilsbekwaamheid van de vrouw nader te onderzoeken en om beter te waarborgen dat zij haar wil zelfstandig kon uiten. Het hof legde daarom een zwaardere maatregel op: een schorsing van drie maanden in de uitoefening van het notarisambt. De leidende belastingadviseur kreeg van de Raad van Tucht van de NOB een schriftelijke berisping, de belastingadviseur die alleen meekeek ging vrijuit.
Lees hier de uitspraak.
Naschrift: in een eerdere versie stond dat de belastingadviseurs vrijuit gingen in deze zaak. Dat is niet geheel juist. De leidende adviseur kreeg van de Raad van Tucht van de NOB een berisping, de ander niet.
