Centraal in de zaak staat een reeks dividenduitkeringen via Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk. De structuur leidde ertoe dat dividenden door verschillende entiteiten werden geleid, waarbij tegelijkertijd aanspraak werd gemaakt op buitenlandse tax credits. Uit de stukken blijkt dat de transacties volgens een strak schema verliepen. Voor het hof onderstreept dit het gestructureerde karakter van de transacties.
Kritische accountant
Uit de interne correspondentie blijkt dat de accountant kritische vragen stelde bij de opzet van de structuur. Daarbij werd expliciet gewezen op het ontbreken van een zakelijke onderbouwing en ook het “ontbreken van een economische rationale van de structuur”. Die signalering maakt volgens het hof duidelijk dat ook binnen de organisatie werd onderkend dat de structuur moeilijk economisch te rechtvaardigen was. Desondanks werd de opzet voortgezet.
Geen echte functie
De betrokken Nederlandse vennootschap vervulde volgens het hof vooral een doorgeefrol. Zij had geen economisch belang bij de aandelen of de dividenden en ontving slechts een vergoeding voor haar werkzaamheden. Daarnaast blijkt uit de stukken dat de beschikking over de gelden contractueel was ingeperkt, onder meer via afspraken over verpanding van de bankrekening. Het hof acht het daarom onaannemelijk dat onafhankelijke partijen onder vergelijkbare voorwaarden zouden handelen.
Kunstmatige structuur
De combinatie van factoren (de beperkte investering, de omvang van de dividendrechten en het ontbreken van een economische onderbouwing) leidt tot het oordeel dat sprake is van een kunstmatige structuur. Dat oordeel wordt mede gedragen door de interne communicatie, waarin de werking van de structuur en de fiscale effecten expliciet aan de orde komen.
Toch inhoudingsplicht
Voor de dividendbelasting komt het hof tot de conclusie dat wel degelijk sprake is van een inhoudingsplicht. Er zijn dividendbesluiten genomen, uitkeringen gedaan en belasting ingehouden. Daarmee is sprake van een belastbare opbrengst. Dat de vennootschap geen economisch belang had, doet daar volgens het hof niet aan af.
Geen pleitbaar standpunt
Het beroep op een pleitbaar standpunt wordt verworpen. De interne stukken, waaronder de e-mails en de vragen van de accountant, maken volgens het hof duidelijk dat betrokkenen zich bewust waren van de kwetsbaarheid van de gekozen opzet. Dus blijft de naheffingsaanslag van ruim €44,8 miljoen in stand, evenals de vergrijpboete van €22,4 miljoen.
Lees hier de uitspraak.
