Een bv heeft werknemers voor wie deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds verplicht is. De onderneming heeft echter dispensatie gekregen en een eigen middelloonregeling ondergebracht bij een verzekeraar. Voorwaarde voor deze vrijstelling is dat de regeling gelijkwaardig is aan die van het fonds. Dat betekent onder meer dat pensioenaanspraken worden geïndexeerd in lijn met het fonds.
Indexatie
In een bepaald jaar besluit het fonds tot indexatie op basis van al opgetreden prijsstijgingen. De verhoging gaat in per 1 januari van het daaropvolgende jaar. Om de gelijkwaardigheid te waarborgen, moet de bv haar regeling eveneens indexeren. Hiervoor betaalt de onderneming in het daaropvolgende jaar een aanvullende koopsom aan de verzekeraar. De omvang daarvan is aan het einde van het eerste jaar al bepaalbaar, waardoor de bv in dat jaar een voorziening vormt.
Vraag
Is de dotatie aan deze voorziening beperkt aftrekbaar op grond van artikel 3.26 Wet IB 2001?
Antwoord
Nee. De dotatie is volledig aftrekbaar in het jaar waarin de verplichting ontstaat.
Toelichting
Artikel 3.26 Wet IB 2001 beperkt de aftrek van kosten die samenhangen met toekomstige loon- of prijsstijgingen. Die kosten mogen pas in latere jaren in aanmerking worden genomen. Daarvan is hier geen sprake. De aanvullende koopsom vloeit namelijk voort uit prijsstijgingen die zich al vóór balansdatum hebben voorgedaan.
Hoewel de betaling pas in een later jaar plaatsvindt, ontstaat de verplichting feitelijk eerder. De hoogte van de koopsom hangt direct samen met het indexatiebesluit van het fonds in datzelfde jaar. Omdat er geen verband is met toekomstige prijs- of loonontwikkelingen, valt de voorziening buiten het bereik van artikel 3.26.
Conclusie
De pensioenlast die voortvloeit uit indexatie mag volledig ten laste van het resultaat worden gebracht in het jaar waarin de verplichting ontstaat.
Lees hier het standpunt.
