Dat blijkt uit het rapport Taxing Wages 2026 van de OESO, waarin de effectieve belastingdruk op loon – de zogenoemde tax wedge – systematisch wordt vergeleken tussen lidstaten en huishoudtypen. Economen pleiten in het algemeen juist voor het verlagen van de belastingdruk op arbeid, om zo werken lonender te maken en de arbeidsdeelname te bevorderen.
Tax wedge
De tax wedge, gedefinieerd als het totaal van inkomstenbelasting en sociale zekerheidsbijdragen van werknemers en werkgevers minus ontvangen uitkeringen, uitgedrukt als percentage van de loonkosten, kwam voor een alleenstaande werknemer met een gemiddeld loon in 2025 uit op gemiddeld 35,1% binnen de OESO. Dat is een stijging van 0,15 procentpunt ten opzichte van 2024 en het hoogste niveau sinds 2016. In 24 landen nam deze belastingdruk toe, terwijl in elf landen een daling werd gemeten.
De stijging wordt in het rapport mede toegeschreven aan hogere sociale premies en het effect van zogenoemde ‘fiscale sluipverzwaring’, waarbij belastingparameters niet volledig met de inflatie meestijgen. Opvallend is dat de belastingdruk voor alle acht onderzochte huishoudtypen gemiddeld is toegenomen, voor het eerst sinds het afbouwen van COVID-19-steunmaatregelen in 2022. De sterkste stijging deed zich voor bij alleenstaande ouders met een relatief laag inkomen.
Voor huishoudens met kinderen is de belastingdruk gemiddeld sterker gestegen dan voor alleenstaanden, waardoor het fiscale voordeel van gezinsvorming verder is afgenomen. Zo steeg de gemiddelde tax wedge voor een eenverdienersgezin met twee kinderen tot 26,2%, waarbij het verschil met alleenstaanden verder afnam. Deze ontwikkeling sluit aan bij de constatering dat belastingstelsels weliswaar progressief blijven, maar dat de relatieve verlichting voor gezinnen kleiner wordt.
Nederland
Binnen deze internationale context laat Nederland een relatief stabiel beeld zien. Voor een alleenstaande werknemer met een gemiddeld loon bleef de tax wedge in 2025 nagenoeg onveranderd op 35,9%, een minimale stijging van 0,04 procentpunt ten opzichte van 2024. Daarmee ligt Nederland iets boven het OESO-gemiddelde en neemt het land een middenpositie in binnen de ranglijst.
De samenstelling van de belastingdruk in Nederland wijkt beperkt af van het OESO-patroon: inkomstenbelasting en werkgeverspremies vormen samen circa driekwart van de totale tax wedge. Voor een eenverdienersgezin met twee kinderen bedraagt de Nederlandse tax wedge 28,5%, eveneens boven het OESO-gemiddelde van 26,2%.
Hoewel ook in Nederland fiscale regelingen en overdrachten de belastingdruk voor huishoudens met kinderen verlagen, is dat effect kleiner dan gemiddeld binnen de OESO. Het verschil in belastingdruk tussen een alleenstaande en een gezin met kinderen bedraagt in Nederland 7,5 procentpunt, tegenover 8,9 procentpunt gemiddeld.
De netto belastingdruk voor werknemers – gemeten als aandeel van het bruto loon dat resteert na belastingen en inclusief uitkeringen – ligt in Nederland eveneens boven het OESO-gemiddelde. Een alleenstaande werknemer houdt netto 72,1% van het bruto loon over, tegenover 74,9% gemiddeld. Voor een eenverdienersgezin met twee kinderen bedraagt dit aandeel 80,6%, waar het OESO-gemiddelde 85,3% is.
Over een langere periode bezien is de belastingdruk in Nederland wel afgenomen. Sinds 2000 daalde de tax wedge voor een alleenstaande werknemer met 4,1 procentpunt, sterker dan de gemiddelde daling binnen de OESO.
Het OESO-rapport laat daarmee een consistent beeld zien: de belasting op arbeid neemt recent weer toe, met name voor huishoudens met kinderen, terwijl nationale verschillen in niveau en samenstelling van de belastingdruk blijven bestaan.
Het rapport is hier te vinden.
