Een dga is sinds 25 maart 2010 enig werknemer en aandeelhouder van een bv. De bv houdt een belang van 51 procent in een andere vennootschap en is ook bestuurder van die deelneming. De echtgenote van de dga is in dienst bij de deelneming. De activiteiten van de bv bestaan uit beheer- en managementwerkzaamheden voor de deelneming, die zich bezighoudt met een groothandel in kunstschildersbenodigdheden.
Na een boekenonderzoek legt de inspecteur over de tijdvakken 2018 tot en met 2020 naheffingsaanslagen loonheffingen op. Daarin zit onder meer een correctie voor de kosten van personal training en abonnementen voor een sportschool. Ook worden een verzuimboete en belastingrente opgelegd.
Arbowet van toepassing
Voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant stelt de inspecteur dat de dga voor de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet niet als werknemer of werkgever moet worden gezien, maar als zelfstandige. De inspecteur verwijst daarbij naar wijzigingen in de Arbeidsomstandighedenregeling in 2001 en het Arbeidsomstandighedenbesluit in 2006.
Volgens de inspecteur is artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet daarom niet van toepassing, omdat daarin wordt gesproken over werkgevers en werknemers. De vergoedingen en verstrekkingen voor personal training en sportschoolabonnementen aan de dga en zijn echtgenote vloeien volgens hem niet rechtstreeks voort uit arbobeleid. Daarom kunnen zij volgens de inspecteur niet gericht zijn vrijgesteld.
De rechtbank volgt dat standpunt niet. Voor de toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet is niet vereist dat materieel sprake is van een gezagsverhouding. De verwijzingen van de inspecteur naar latere regelgeving leiden niet tot een ander oordeel, omdat die zien op een specifiek later ingevoerd wetsartikel en niet op de algemene definities van de Arbeidsomstandighedenwet.
Geen direct verband met ziekteverzuim vereist
De bv stelt dat de kosten voor personal training en het sportschoolabonnement van de dga kunnen worden aangemerkt als gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen. Met deze vergoedingen en verstrekkingen zorgt de werkgever volgens de bv voor de gezondheid van zijn werknemer, waartoe artikel 3, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet verplicht.
De inspecteur betwist dat met het vergoeden of verstrekken van personal training en sportschoolabonnementen sprake is van zorg voor de veiligheid en gezondheid van werknemers.
De rechtbank verwijst naar een conclusie van de advocaat-generaal van 21 april 2023 over de gerichte vrijstelling voor gezonde lunchmaaltijden. Daarin is geconcludeerd dat het zogenoemde direct-verbandcriterium niet meer geldt bij de vraag of wordt voldaan aan artikel 8.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011. Dat criterium staat niet meer in de wettekst.
Volgens de rechtbank hoeft in deze zaak daarom geen direct verband te bestaan met de preventie van ziekteverzuim. De vrijstelling is ruim genoeg om ook de kosten van personal training en het sportschoolabonnement van de dga daaronder te laten vallen.
Alleen vrijstelling voor de dga
De rechtbank maakt wel een duidelijke beperking. De gerichte vrijstelling geldt alleen voor de kosten die zien op de dga zelf. De kosten voor zijn echtgenote vallen daar niet onder, omdat zij geen werknemer is van de bv.
Ook het beroep van de inspecteur op de gebruikelijkheidstoets slaagt niet. Volgens de inspecteur zijn de vergoedingen en verstrekkingen, gelet op de hoogte, ongebruikelijk. De rechtbank overweegt dat de bewijslast daarvoor bij de inspecteur ligt. Omdat de inspecteur zijn standpunt niet met data heeft onderbouwd, maakt hij niet aannemelijk dat de vergoedingen en verstrekkingen niet als eindheffingsbestanddeel kunnen worden aangewezen.
Boete deels verminderd
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur ten onrechte heeft nageheven over de kosten van personal training en het sportschoolabonnement van de dga. Over het familieabonnement is wel terecht nageheven.
Dat werkt ook door in de verzuimboete. Voor zover de boete ziet op de kosten van de dga, is die ten onrechte opgelegd. Voor zover de boete ziet op het familieabonnement, blijft zij in stand. Van afwezigheid van alle schuld of een pleitbaar standpunt is volgens de rechtbank geen sprake.
Het beroep is gegrond. De rechtbank vermindert de naheffingsaanslag loonheffingen, de boetebeschikking en de belastingrentebeschikking.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4935
