Dat stelt de Kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst.
In de voorgelegde situatie betaalt een werkgever rechtstreeks een studietoelage aan kinderen van werknemers. Het kind heeft zelf recht op de toelage. Die bestaat uit een jaarlijkse bijdrage aan het wettelijke lesgeld of collegegeld en een maandelijkse tegemoetkoming in andere studie- of opleidingskosten.
De hoogte van de toelage hangt af van het gevolgde onderwijs en het dienstverband van de ouder. Bij een te hoog eigen inkomen vervalt het recht op de bijdrage. Ook moet het kind een betalingsbewijs of inschrijvingsbewijs overleggen.
Kind wordt werknemer voor de loonbelasting
Het zelfstandige recht op de toelage vindt zijn oorsprong in de bestaande dienstbetrekking van de ouder. Het kind wordt daardoor voor de toepassing van de Wet op de loonbelasting zelf als werknemer aangemerkt.
De toelage geldt volgens de kennisgroep als loon uit vroegere dienstbetrekking. Zij vormt namelijk geen directe tegenprestatie voor bepaalde werkzaamheden die het kind heeft verricht. De werkgever bij wie de ouder in dienst is, is inhoudingsplichtig voor de betaling aan het kind.
Dat de toelage als loon uit vroegere dienstbetrekking wordt aangemerkt, betekent niet dat de werkgever deze binnen de werkkostenregeling kan aanwijzen als eindheffingsbestanddeel. Voor loon dat verband houdt met tegenwoordige arbeid is aanwijzing in beginsel alleen mogelijk als de werknemer nog werkzaamheden voor de werkgever verricht.
Voor vergoedingen en verstrekkingen aan postactieve werknemers bestaat een afzonderlijke regeling. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om oud-werknemers die met pensioen zijn of gebruikmaken van een regeling voor vervroegde uittreding. Het kind dat de studietoelage ontvangt, is volgens de kennisgroep echter noch een actieve, noch een postactieve werknemer van de werkgever. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel is daarom niet mogelijk.
Verruiming gericht op voormalige werknemers
Sinds 2021 kan de gerichte vrijstelling voor scholingskosten onder voorwaarden ook gelden voor scholing die voortvloeit uit vroegere arbeid. De verruiming was volgens de wetsgeschiedenis vooral bedoeld voor werknemers van wie afscheid is of wordt genomen.
Het kan bijvoorbeeld gaan om een vergoeding voor scholing als onderdeel van een sociaal plan of om een scholingsbudget dat tijdens het dienstverband nog niet is gebruikt. De maatregel moest werkgevers en werknemers stimuleren om ook rond het einde van een dienstverband in scholing te investeren.
Volgens de kennisgroep blijkt niet dat de wetgever met deze verruiming ook studietoelagen voor kinderen van werknemers onder de vrijstelling heeft willen brengen. Het kind is in deze situatie bovendien geen postactieve werknemer van de werkgever.
De studietoelage valt daarom niet onder de gerichte vrijstelling voor scholingskosten. De toelage wordt bij het kind aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. De werkgever van de ouder moet de betaling in de loonheffingen betrekken.
De Belastingdienst merkt ten slotte op dat het Handboek Loonheffingen van maart 2026 niet geheel aansluit op het standpunt. Het handboek zal op dit punt worden aangepast. Het kennisgroepstandpunt is op 23 juli 2026 gepubliceerd.
