Dat schrijven staatssecretarissen Eelco Eerenberg (Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane) en Sandra Palmen (Herstel Toeslagen) in antwoorden op Kamervragen. Tegelijk stellen zij dat er geen aanwijzingen zijn dat informatie bewust is achtergehouden om de Kamer of belastingplichtigen te benadelen.
Spijt over late informatievoorziening
Uit de beantwoording blijkt dat beide staatssecretarissen eind juli 2025 via een ambtelijke nota over de datakluis zijn geïnformeerd. Palmen was bovendien daarvoor al telefonisch op de hoogte gebracht. De Kamer werd echter pas op 15 april 2026 geïnformeerd dat de datakluis niet was betrokken bij belangrijke informatieleveringen, waaronder aan de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD).
Volgens de bewindspersonen had dat eerder moeten gebeuren. “De Tweede Kamer had eerder geïnformeerd moeten worden en dat spijt ons”, schrijven zij. “Dit proces en daarmee het informeren van uw Kamer heeft duidelijk te lang geduurd. Dit had anders gemoeten en dat spijt ons.” Zij voeren aan dat aanvankelijk nog onvoldoende duidelijk was welke documenten zich in de datakluis bevonden en of deze daadwerkelijk relevant waren voor de parlementaire enquête. Daarom werden eerst steekproeven uitgevoerd en juridische analyses gemaakt voordat de Kamer werd geïnformeerd.
Signaal uit 2022 niet opgevolgd
De staatssecretarissen bevestigen ook dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022, tijdens het verzamelen van documenten voor de parlementaire enquête, tweemaal aandacht vroeg voor de datakluis. Volgens het kabinet lag de focus destijds echter op het tijdig voldoen aan de omvangrijke informatievorderingen van de enquêtecommissie. Bij de zoekslagen werd gezocht naar bestanden zoals Word-, Excel-, PDF- en PowerPoint-documenten, terwijl de HTML-verwijzingsbestanden naar de datakluis buiten beeld bleven. Daardoor kwamen de achterliggende documenten niet in reguliere zoekacties naar voren.
Het kabinet noemt het “zeer kwalijk” dat er destijds signalen bestonden over het bestaan van de datakluis, maar dat deze desondanks niet in de zoekslag is betrokken. “Dit had niet mogen gebeuren”, schrijven de staatssecretarissen. Zij nemen daarom de aanbeveling uit het BDO-rapport over om onafhankelijk te onderzoeken welke signalen over de datakluis zijn afgegeven en hoe daarmee is omgegaan.
Geen aanwijzingen voor opzet
Op vragen of mogelijk sprake is van strafbare feiten of het bewust achterhouden van informatie, wijzen de bewindspersonen op de bevindingen van BDO. Volgens hen zijn er “geen aanwijzingen dat dit opzettelijk is gebeurd met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen”. Ook stellen zij dat uit het onderzoek geen indicatie naar voren komt dat de datakluis bewust buiten de informatievoorziening aan de enquêtecommissie is gehouden.
Wel erkennen zij dat mogelijk wettelijke verplichtingen niet zijn nagekomen. Afhankelijk van de inhoud van de documenten kan het niet meenemen van stukken uit de datakluis in strijd zijn geweest met onder meer artikel 68 van de Grondwet, de Wet op de parlementaire enquête 2008, de Wet open overheid of AVG-inzageverzoeken. Of daarvan in individuele gevallen daadwerkelijk sprake is, kan volgens het kabinet pas worden vastgesteld nadat de inhoud van de datakluis volledig in kaart is gebracht.
Inhoud nog grotendeels onbekend
Het kabinet benadrukt dat nog altijd geen volledig beeld bestaat van de inhoud van de datakluis. De omgeving wordt momenteel geïndexeerd, waarna een inventarislijst kan worden opgesteld en documenten systematisch kunnen worden beoordeeld. Ook moet een externe commissie toezicht houden op de beoordeling van de relevantie van de documenten en de wijze waarop deze met de Kamer en betrokken burgers worden gedeeld. De commissie moet volgens de huidige planning op 1 oktober 2026 van start gaan.
