Dat de aandelen niet op haar naam stonden geregistreerd en behoorden tot een gemeenschap van vier deelgenoten, doet aan dat economische belang niet af, oordeelt het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Nadat haar moeder op 28 september 2006 is overleden, erft een vrouw samen met haar drie broers en zussen twaalf aandelen met een nominale waarde van 453,78 euro in het kapitaal van een vennootschap. Elke erfgenaam is voor een vierde deel gerechtigd tot de nalatenschap. Door een ruzie tussen de erfgenamen zijn de twaalf aandelen onverdeeld gebleven. Het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap bestaat in totaal uit twintig aandelen.
Voor haar verkrijging in 2006 voldoet de vrouw erfbelasting. Zowel in de aangifte IB/PVV 2006 van haar moeder als in de aan haar erven opgelegde aanslag IB/PVV 2006 is geen inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen.
Onverdeeld aandeel verkocht
Op 11 juni 2020 verkoopt en levert de vrouw bij notariële akte haar onverdeelde aandeel van een vierde deel in de twaalf aandelen aan haar broer voor een bedrag van 90.000 euro. De vrouw overlijdt op 29 augustus 2021. Na het overlijden van haar echtgenoot in 2023 zijn haar drie kinderen haar erfgenamen.
In de door een belastingadviseur verzorgde aangifte IB/PVV 2020 van de vrouw is voor de verkoop en levering een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verantwoord van 4.532 euro. Bij de vaststelling van de aanslag IB/PVV gaat de inspecteur uit van een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van 39.311 euro.
De kinderen maken bezwaar tegen de aanslag en stellen in hoger beroep dat hun moeder nooit een aanmerkelijk belang heeft gehad in de vennootschap, zodat in 2020 geen sprake kan zijn geweest van belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Volgens de kinderen was “de uitruil in 2020 geen verkoop van aandelen maar de afwikkeling van een erfrechtelijke aanspraak”.
Aandeelhouder bij volledig economisch belang
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat een belastingplichtige op grond van artikel 4.6 van de Wet IB 2001 een aanmerkelijk belang heeft als hij, al dan niet samen met zijn partner, direct of indirect voor ten minste 5 procent van het geplaatste kapitaal aandeelhouder is in een vennootschap waarvan het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld. Als direct aandeelhouder wordt aangemerkt degene die het volledige economische belang houdt bij de aandelen in een vennootschap.
Na het overlijden van haar moeder in 2006 heeft de vrouw een vierde deel van het onverdeelde aandeel in twaalf aandelen in het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap verkregen. Hoe die verkrijging civielrechtelijk precies moet worden geduid, kan volgens het hof in het midden blijven. Voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang volstaat dat iemand het volledige economische belang bij de aandelen houdt.
Tenaamstelling aandelen niet bepalend
Volgens het hof heeft de vrouw in 2006 het volledige economische belang bij de aandelen verkregen dat overeenkomt met drie aandelen: een vierde deel van de twaalf aandelen uit de nalatenschap. Dat die aandelen niet op haar naam stonden geregistreerd en behoorden tot een gemeenschap van vier deelgenoten, doet aan dat economische belang niet af.
De drie aandelen vertegenwoordigen 15 procent van het geplaatste aandelenkapitaal van de vennootschap, dat in totaal uit twintig aandelen bestaat. Daarmee overschrijdt het economische belang de grens van 5 procent en had de vrouw volgens het hof een aanmerkelijk belang als bedoeld in artikel 4.6 van de Wet IB 2001.
Dat betekent dat de inspecteur vanwege de verkoop en levering van haar onverdeelde aandeel in de aandelen in 2020 terecht belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang bij de vrouw in aanmerking heeft genomen. De hoogte daarvan, 39.311 euro, was in hoger beroep niet meer in geschil.
Het hoger beroep van de kinderen is daarmee ongegrond.
