Het gerechtshof Den Haag heeft nu uitspraak gedaan over de civiele aansprakelijkheid van de betrokkenen en de verdere afwikkeling van de schade.
De fraude liep van 2013 tot begin 2016. Via honderden facturen werden bedragen bij RST in rekening gebracht voor kosten die niet of niet zakelijk waren gemaakt. Volgens het FIOD-dossier betaalde RST in die jaren ruim 5 miljoen euro op bankrekeningen waarover de ingehuurde interim-projectmanager kon beschikken.
De interim-manager werd in 2020 samen met de operationeel directeur en financieel manager strafrechtelijk veroordeeld. Hij kreeg onlangs ook in hoger beroep een gevangenisstraf van tweeënhalf jaar. Parallel aan de strafzaak voerde RST al jaren een civiele procedure om de schade op de betrokkenen te verhalen.
Geen 15 procent korting meer
De rechtbank Rotterdam stelde eerder vast dat de fraude met de zogenoemde spookfacturen een onrechtmatige daad opleverde en hield de betrokkenen aansprakelijk. Voor de operationeel directeur en financieel manager werd de schadevergoedingsplicht echter met 15 procent verminderd wegens eigen schuld van RST. De rechtbank zag daarbij een rol voor de bedrijfscultuur en het handelen van de toenmalige algemeen directeur.
Juist daarover werd in hoger beroep verder gestreden. De twee voormalige werknemers stelden dat binnen RST op grote schaal privékosten voor rekening van het bedrijf kwamen en dat de algemeen directeur daarbij zelf een belangrijke rol speelde. Dat verweer kwam ook al terug in eerdere procedures. Zo probeerden de fraudeurs interne stukken en correspondentie met KPMG boven tafel te krijgen om een bredere cultuur van zelfverrijking aan te tonen. Het hof wees dat verzoek in 2024 af als een “fishing expedition”.
In de nu gepubliceerde arresten houdt ook het beroep op eigen schuld geen stand. De door de fraudeurs gestelde bedrijfscultuur betekent volgens het hof niet dat zij ervan mochten uitgaan dat RST als rechtspersoon ermee instemde dat voor eigen voordeel geld aan de onderneming werd onttrokken. Het hof ziet daarom geen aanleiding een deel van de schade voor rekening van RST te laten. De eerdere vermindering tot 85 procent wordt geschrapt.
Ook rekeninghouders aansprakelijk
Het hof nuanceert wel de aansprakelijkheid van twee familieleden van de interim-manager. Een nicht en halfzus hadden hun bankrekeningen, inclusief passen en inlogcodes, aan hem ter beschikking gesteld. De rechtbank hield hen op grond van groepsaansprakelijkheid mede hoofdelijk aansprakelijk voor de gehele fraude.
Dat gaat het hof te ver. Onvoldoende is gebleken dat de twee zich ervan bewust waren dat zij deelnamen aan een groep die zich met fraude bezighield. Maar daarmee zijn zij niet van aansprakelijkheid af. Van een rekeninghouder mag volgens het hof worden verwacht dat die controle houdt over de transacties op de rekening en voorkomt dat die wordt gebruikt voor het ontvangen en doorsluizen van fraudegeld.
De twee lieten de interim-manager hun rekeningen langere tijd zonder toezicht gebruiken, terwijl zij wisten dat hij vanwege een faillissement of beslag niet zijn eigen rekening gebruikte. Daarmee handelden zij volgens het hof in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid. Hun rekeningen vormden bovendien een “essentiële schakel” in de fraude. Hun aansprakelijkheid blijft daarom bestaan voor de onrechtmatige onttrekkingen die daadwerkelijk via hun eigen rekening liepen.
Verzekeraar betaalde 3 miljoen euro
Hoeveel de fraudeurs uiteindelijk nog aan RST moeten betalen, staat met de arresten nog niet vast. Tijdens het hoger beroep kwam namelijk een nieuwe factor in beeld. De fraudeverzekeraars van de moedervennootschap van RST hebben na een schikking 3 miljoen euro uitgekeerd.
Door die betaling zijn de verzekeraars voor dat bedrag in de rechten van RST getreden. Dat betekent niet dat het hof uitgaat van een lagere schade. Het hof overweegt juist dat de totale voor verhaal in aanmerking komende schade het door de verzekeraars uitgekeerde bedrag overstijgt, zeker als ook andere posten, zoals de belastingschade van 650.000 euro, worden meegenomen.
De eerdere concrete betalingsveroordelingen worden toch vernietigd. RST beschikte op het moment dat het hof om arrest werd gevraagd nog niet over een ondertekende last en volmacht van de gesubrogeerde verzekeraars om ook het door hen betaalde bedrag op eigen naam te verhalen. Hoe groot de uiteindelijk te vergoeden schade is en aan wie die moet worden betaald, moet daarom in de schadestaatprocedure worden vastgesteld.
Voor de operationeel directeur en financieel manager staat daarbij wel één belangrijk verschil met het eerdere vonnis vast: de korting van 15 procent wegens eigen schuld van RST is van tafel.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:2937 en ECLI:NL:GHDHA:2026:2938
Lees hier meer over de fraudezaak bij RST en de rol van KPMG en Deloitte.
