Een man drijft samen met zijn broer een vof waarvan de activiteiten bestaan uit de handel in auto-onderdelen en accessoires van auto’s uit de Verenigde Staten. De inspecteur nodigt de man uit, herinnert hem en maant hem aan tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2019. Omdat de man de aangifte niet tijdig indient, legt de inspecteur hem een ambtshalve aanslag op, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000. Daarop dient de man in de bezwaarfase alsnog een aangifte in, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.550.
Naar aanleiding van die alsnog ingediende aangifte en aanvullende informatie tijdens de bezwaarprocedure legt de inspecteur de man een navorderingsaanslag op. Volgens de inspecteur heeft binnen het bedrijf een herwaardering van de voorraad plaatsgevonden in verband met sterk gestegen inkoopprijzen. Omdat de herwaardering via de kapitaalrekening is verwerkt en dat volgens de inspecteur niet juist is, past hij een winstcorrectie toe.
Computercrash
De man geeft aan dat er een computercrash is geweest waardoor veel gegevens verloren zijn gegaan. Zijn broer, die hem tijdens de bezwaarprocedure vertegenwoordigt, legt uit dat de waarde van de voorraad is vastgesteld met de laatst bekende prijzen. De inspecteur constateert dat deze door forse prijsverhogingen nogal afwijken van de historische kostprijzen.
De inspecteur is verder van mening dat de voorraadtoename met name het gevolg is geweest van de herwaardering, veroorzaakt door de prijsstijgingen. Met andere woorden: de ‘goedkoop’ ingekochte voorraad is ‘meer waard’ geworden door de prijsstijgingen. De inspecteur stelt dat de voorraad fiscaal tegen de historische kostprijs moet worden gewaardeerd. Volgens hem mag de ondernemer de voorraad niet ineens tegen de actuele waarde waarderen en het verschil via de kapitaalrekening wegboeken.
Balanscontinuïteit
Rechtbank Gelderland beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2019, de verzuimboete, de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2019, de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen terecht en tot de juiste hoogten zijn vastgesteld.
De man stelt daarbij dat, als er al sprake zou zijn van een winstcorrectie, deze in oude jaren (2018 en eerder) had moeten worden doorgevoerd. De inspecteur is van mening dat de man de vereiste aangifte niet heeft gedaan en dat omkering en verzwaring van de bewijslast moet plaatsvinden. Subsidiair vindt hij dat de man het beginsel van balanscontinuïteit heeft geschonden en de herwaardering van de voorraad niet via de kapitaalrekening had mogen lopen, maar tot de fiscale winst in 2019 moet worden gerekend.
De rechtbank stelt vast dat de man geen aangifte IB/PVV 2019 heeft gedaan vóór de uiterste inleverdatum en pas in bezwaar tegen de ambtshalve vastgestelde aanslag aangifte heeft gedaan. Die alsnog ingediende aangifte is echter geen aangifte in de zin van de AWR. Dat leidt voor de rechtbank tot de conclusie dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat de man overtuigend moet aantonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar van de inspecteur onjuist zijn.
Vermogenssprong
Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van de inspecteur redelijk. Ook bij omkering en verzwaring van de bewijslast mag de inspecteur de correcties niet naar willekeur vaststellen. Zijn schatting moet voldoende feitelijk zijn onderbouwd.
De inspecteur heeft zich volgens de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de herwaardering van de voorraad tot de fiscale winst over 2019 moet worden gerekend.
Het ondernemingsvermogen bedroeg eind 2018 € 472.223 en begin 2019 € 691.607. Van deze ‘vermogenssprong’ van € 219.384 heeft de inspecteur uiteindelijk een deel, € 162.032, in 2019 gecorrigeerd. Dat bedrag is gebaseerd op het verschil tussen de voorraadwaarde per 31 december 2018 van € 177.968 en de voorraadwaarde per 1 januari 2019 van afgerond € 340.000, zoals die blijkt uit de door de man overgelegde stukken.
Door de helft (€ 81.016) bij de man te corrigeren, heeft de inspecteur naar het oordeel van de rechtbank rekening gehouden met zijn winstgerechtigdheid van 50% in de vof.
De rechtbank is niet van oordeel dat de man erin is geslaagd aan te tonen dat de uitspraak op bezwaar van de inspecteur onjuist is. De man heeft niet met bewijsstukken kunnen aantonen dat de oorzaak van het vermogensverschil in oude jaren is gelegen. De door hem overgelegde ‘Tellijst’ en het document ‘Inkopen 2019′ ondersteunen volgens de rechtbank juist dat sprake is geweest van een al dan niet bewuste herwaardering van de voorraad in 2019. Het standpunt van de man dat er geen sprake is van een herwaardering, maar van een ’telling’ van de voorraad, houdt naar het oordeel van de rechtbank geen stand.
Foutenleer
En zelfs al zou de oorzaak van het verschil in oude jaren zijn gelegen, dan nog sluit dit correctie op grond van de foutenleer in het oudste nog openstaande jaar (2019) niet uit. Ook heeft de man niet aangetoond dat zijn inkopen in 2019 hoger waren dan aangegeven en zijn ondernemingswinst daardoor € 6.500 lager zou moeten zijn.
De rechtbank merkt ten slotte op dat de man met zijn stellingen er telkens aan voorbijgaat dat de totaalwinst van de vennoten belast dient te worden. En dat dit uitsluit dat er van het ene (2018) op het andere jaar (2019) sprake is van een vermogenssprong die buiten de heffing blijft.
De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de aanslag IB/PVV 2019, de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zvw 2019 en de verzuimboete van € 385 standhouden. De rechtbank vermindert de verzuimboete ondanks overschrijding van de redelijke termijn niet, omdat deze minder dan € 1.000 bedraagt.
Ook de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 houdt stand, zoals die eerder in bezwaar was verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 121.187. De daarbij aanvankelijk opgelegde vergrijpboete van € 12.685 was al in bezwaar vernietigd. Ook de belastingrentebeschikkingen blijven in stand, zoals die luiden na de vermindering bij uitspraak op bezwaar.
Rechtbank Gelderland, 11 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6917
