Belastingplichtigen kunnen, samen met hun fiscale partner, de eerder gemaakte keuze voor de onderlinge verdeling aanpassen, ondanks het feit dat de aanslag door de collectieve uitspraak formeel onherroepelijk is geworden.
In de voorliggende zaak had de belanghebbende bezwaar gemaakt tegen zijn aanslag IB/PVV 2017. Dit bezwaar viel onder de massaalbezwaarprocedure inzake de box 3-heffing en werd bij collectieve uitspraak gegrond verklaard. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur een verminderingsbeschikking vastgesteld. Vervolgens hebben belanghebbende en zijn fiscale partner verzocht om de eerder overeengekomen verdeling van de box 3-grondslag te wijzigen, in die zin dat deze volledig aan de partner wordt toegerekend.
De Rechtbank Den Haag zag zich voor de vraag gesteld of een dergelijke wijziging nog mogelijk is nadat de aanslag als gevolg van de collectieve uitspraak onherroepelijk is geworden, en heeft deze rechtsvraag prejudicieel voorgelegd aan de Hoge Raad.
Het wettelijke kader bepaalt sinds 1 januari 2009 dat fiscale partners de onderlinge verdeling van box 3 kunnen wijzigen totdat hun aanslagen IB/PVV onherroepelijk vaststaan. Indien een aanslag onherroepelijk wordt door een arrest van de Hoge Raad in een individuele procedure, kan deze verdeling nog tot zes weken na dat arrest worden aangepast. De massaalbezwaarprocedure, ingevoerd per 1 april 2003 en gewijzigd per 2016, wijkt hiervan af doordat de inspecteur één collectieve uitspraak doet nadat de relevante rechtsvraag onherroepelijk is beslist. Tegen die uitspraak en de daaropvolgende vermindering staat geen rechtsmiddel open, waardoor de aanslag onherroepelijk wordt voor zover het massaal bezwaar betreft.
Een strikt grammaticale uitleg van deze regeling zou ertoe leiden dat na een collectieve uitspraak geen wijziging van de box 3-verdeling meer mogelijk is. De Hoge Raad acht dat gevolg echter niet in overeenstemming met een redelijke wetstoepassing. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever bij de aanpassing van de massaalbezwaarprocedure geen rekening gehouden met deze consequentie.
De Hoge Raad overweegt dat niet valt in te zien waarom belastingplichtigen na een massaalbezwaarprocedure minder gelegenheid zouden moeten hebben om een eerder gekozen verdeling te wijzigen dan in het geval van een individuele procedure die eindigt met een arrest van de Hoge Raad. In beide situaties geldt dat belastingplichtigen pas na de rechterlijke beslissing voldoende inzicht hebben in de financiële gevolgen van hun eerdere keuze en een eventuele herverdeling.
Om die reden oordeelt de Hoge Raad dat ook in het kader van de massaalbezwaarprocedure een termijn van zes weken moet worden geboden waarbinnen fiscale partners hun onderlinge verdeling kunnen aanpassen. In gevallen waarin de inspecteur geheel of gedeeltelijk in het ongelijk is gesteld, zijn de gevolgen van de collectieve uitspraak doorgaans pas volledig duidelijk nadat de individuele verminderingsbeschikking is vastgesteld. Daarom geldt als uitgangspunt dat de termijn van zes weken aanvangt na die vermindering bij beschikking.
De uitspraak is van belang voor de fiscale praktijk, met name voor de afwikkeling van box 3-geschillen binnen de massaalbezwaarprocedure. Zij bevestigt dat de keuzemogelijkheid voor fiscale partners materieel behouden blijft, ook nadat de aanslag formeel onherroepelijk is geworden via een collectieve uitspraak, en dat belastingplichtigen de gelegenheid krijgen hun verdeling aan te passen aan de uitkomst van de procedure.
De Rechtbank Den Haag zal de behandeling van de zaak voortzetten met inachtneming van het oordeel van de Hoge Raad. De beantwoording van de prejudiciële vragen heeft tevens betekenis voor andere, vergelijkbare zaken.
