Een man die in 2020 is overleden was in gemeenschap van goederen gehuwd met zijn echtgenote. Tot de huwelijksgemeenschap behoort de eigendom van een woning. In het eerder in 2018 opgemaakte testament heeft de erflater zijn echtgenote voor 1% en zijn drie kinderen ieder voor 33% tot zijn erfgenamen benoemd. De erflater heeft verder in zijn testament bepaald dat de echtgenote ervoor kan kiezen om aan de erfgenamen een last op te leggen om de nalatenschap te verdelen als ware het een wettelijke verdeling (quasi-wettelijke verdeling).
De erflater en zijn echtgenote woonden in de tijd van het opstellen van het testament in de woning waarna zij verhuisd zijn naar een verpleeg-/verzorgingstehuis. De woning is vervolgens tijdelijk verhuurd aan een van de kinderen, een dochter. Na het overlijden van erflater is de dochter verhuisd, waarna de woning verhuurd is aan een derde. In november 2021 heeft de echtgenote de woning verkocht voor een koopsom van € 500.000,-. Bij het opleggen van de aanslag erfbelasting heeft de inspecteur in verband met artikel 21, achtste lid, van de Successiewet 1956 (SW) de leegwaarderatio voor de woning niet toegepast voor de dochter; dat doet hij wel bij de overige twee kinderen.
Zelfde fiscale behandeling voor quasi-wettelijke verdeling
De dochter is het niet eens met deze beslissing en stelt voor de rechtbank Gelderland dat uit de bepalingen in het testament blijkt dat de echtgenote alle goederen zou verkrijgen en dat de dochter dan ook geen aandeel in de woning heeft verkregen, maar een vordering op de echtgenote die inhoudelijk overeenkomt met de wettelijke verdeling. Daarnaast stelt zij dat volgens de Staatssecretaris van Financiën in het besluit van 15 juni 2022 een quasi-wettelijke verdeling fiscaal hetzelfde wordt behandeld als een wettelijke verdeling voor wat betreft artikel 21, achtste lid, van de Successiewet 1956 (SW).
De inspecteur stelt dat in het testament is bepaald dat de wettelijke verdeling geheel buiten toepassing blijft en dat de dochter voor 33/100 deel erfgenaam is in de nalatenschap. En dat er dan een erfrechtelijke verkrijging is van de dochter van 33/100 deel van de onverdeelde nalatenschap waardoor de dochter voor 33/100 deel eigenaar geworden is van de woning. Omdat zij tevens huurder is van de woning waarin zij een aandeel verkrijgt, komt zij op grond van artikel 21, achtste lid, van de SW niet in aanmerking voor een lagere waarde van de woning.
Verkrijging krachtens erfrecht?
De rechtbank dient te beoordelen of een verkrijging als in dit geval (op basis van een keuze door de langstlevende voor een quasi-wettelijke verdeling op grond van het keuzetestament) is aan te merken als een verkrijging krachtens erfrecht. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat indien de vordering opkomt bij een testament dat inhoudelijk overeenkomt met een wettelijke verdeling, sprake is van een verkrijging krachtens erfrecht, net als bij de wettelijke verdeling.
Het testament van de erflater is, naar het oordeel van de rechtbank rechtsgeldig, omdat aan de echtgenote van de erflater de keuze is geboden om, kort gezegd, alsnog tot een wettelijke verdeling over te gaan. Er wordt uitvoering gegeven aan de wil van de erflater, doordat de echtgenote alsnog heeft gekozen voor de wettelijke verdeling en daarom is sprake van verkrijging volgens erfrecht.
In hoger beroep voor het hof Arnhem-Leeuwarden gaat het erom of bij de bepaling van de waarde van het erfdeel van de dochter rekening moet worden gehouden met de na het overlijden door de echtgenote tot stand gebrachte quasi-wettelijke verdeling, zoals blijkt uit de akte van verdeling. Daarbij zijn alle tot de nalatenschap behorende goederen, waaronder de woning, aan de echtgenote toegedeeld, onder de verplichting de schulden van de nalatenschap voor haar rekening te nemen. Ieder kind heeft een vordering op de echtgenote gekregen overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel.
Wil van erflater is uitgevoerd
Het hof overweegt dat uit het testament volgt dat erflater aan de erfgenamen heeft opgelegd om zijn nalatenschap zodanig te verdelen dat alle tot zijn nalatenschap behorende goederen door de echtgenote worden verkregen en dat de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor rekening van de echtgenote komt. De erflater heeft daarbij tevens bepaald dat ieder van de overige erfgenamen een geldvordering ten laste van de echtgenote verkrijgt ter grootte van de waarde van zijn erfdeel.
Hiermee is, naar het oordeel van het hof, en eerder van de rechtbank, uitvoering gegeven aan de wil van de erflater. In dit geval is dan ook geen sprake van een contractuele verdeling, maar van een verdeling die zijn grondslag vindt in Boek 4 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis en het uitvoeren van de wil van de erflater door de echtgenote, is het hof van oordeel dat de dochter een vordering krachtens erfrecht heeft verkregen in de zin van artikel 1, lid 1, onder 1 SW, zodat hiermee voor de heffing van de erfbelasting rekening moet worden gehouden.
De leegwaarderatio dient ook bij de dochter te worden toegepast, zodat de aanslag gelijk is aan die van de broer en de zus van haar. Het hoger beroep van de inspecteur is ongegrond en de aanslag dient daarom te worden verminderd tot een aanslag naar een belastbare verkrijging van € 38.358,-.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:4066
