Aan een BV zijn WGA-uitkeringslasten toegerekend die voortvloeien uit het dienstverband van een werknemer die in het verleden in dienst is geweest bij de rechtsvoorganger van de BV. De werknemer is op 5 oktober 2010 voor het eerst ziek gemeld. Aan hem is per 2 oktober 2012 geen WIA-uitkering toegekend omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De werknemer meldt zich op 6 mei 2013 opnieuw ziek en op 23 juli vraagt hij een WIA-uitkering aan. Na een arbeidsdeskundigonderzoek bij het UWV wordt hij voor 42% arbeidsongeschikt verklaard. Het UWV kent per 6 mei 2013 een WGA-uitkering aan de werknemer toe, omdat hij binnen vijf jaar opnieuw ziek is geworden vanwege dezelfde oorzaak.
Wanneer begint toerekeningstermijn te lopen?
De inspecteur rekent de in 2023 uitbetaalde WGA-uitkering aan de BV toe bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas 2025. Daarbij stelt hij zich op het standpunt dat de toerekeningstermijn aanvangt op de ingangsdatum van de WGA-uitkering, namelijk 6 mei 2013.
De werkgever is het daar niet mee eens. Bij de rechtbank Noord-Holland ligt vervolgens de vraag wanneer de zogenoemde toerekeningstermijn van tien jaar aanvangt en of sprake is van schending van het rechtszekerheids- of het gelijkheidsbeginsel.
De BV vindt dat de toerekeningstermijn begint op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd: 2 oktober 2012. Volgens de BV ontstaat rechtsonzekerheid als een werkgever er niet van uit kan gaan dat een werknemer na twee jaar loondoorbetaling voor tien jaar onder zijn risico en schade valt. Als gevolg hiervan doet de BV een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel.
Gestraft voor succesvolle re-integratie
De BV betoogt dat een werkgever wordt gestraft voor een succesvolle re-integratie en dat het onwenselijk is dat de tienjaarstermijn niet ingaat op de datum waarop de wachttijd van 104 weken is geëindigd. De BV doet ook nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel, met een verwijzing naar twee andere vergelijkbare zaken. De inspecteur zou hierin voor de aanvang van de toerekeningstermijn uitgegaan zijn van de datum waarop de wachttijd is geëindigd.
Voor de rechtbank staat het vast dat de werknemer met ingang van 6 mei 2013 recht heeft op een WGA-uitkering. Vanaf deze datum moet de WGA-uitkering van de werknemer, voor een periode van tien jaar, aan de BV worden toegerekend. De tienjaarstermijn begint namelijk op de dag waarop het recht op uitkering is ontstaan. De aan de werknemer in 2023 uitbetaalde WGA-uitkering is dan ook terecht aan de BV toegerekend bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie Werkhervattingskas voor het jaar 2025.
Beroep op rechtszekerheidsbeginsel slaagt niet
Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak geen sprake van niet of niet ten volle meegerekende bijzondere omstandigheden die rechterlijke toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel, mogelijk maken. Daarom kan het beroep van de BV op het rechtszekerheidsbeginsel alleen al hierom niet slagen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Voor de toepassing van de zogenoemde meerderheidsregel kunnen enkel de met het geval van de BV vergelijkbare gevallen in de vergelijking worden betrokken die aan het betrokken bestuursorgaan uit hoofde van zijn bevoegdheid bekend zijn.
Andere bevoegdheid voor BV
De door de BV aangedragen gevallen ressorteren onder de inspecteur van de Belastingdienst/Grote ondernemingen. De BV zelf valt daarentegen onder de bevoegdheid van de inspecteur van de Belastingdienst/Midden- en kleinbedrijf. Daarom kunnen de door de BV aangedragen gevallen niet in de vergelijking worden betrokken. Ook heeft de BV niet aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van de gevallen die gelijk zijn aan het geval van de BV de wet onjuist is toegepast.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat één van de door de BV aangedragen gegrondverklaringen berust op een geheel andere grondslag. Verder heeft de inspecteur verwezen naar meerdere gevallen waarin hij is uitgegaan van de ingangsdatum van de uitkering als aanvang voor de toerekeningstermijn.
Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:6296
