Dat schrijft minister Aartsen van Werk en Participatie in een brief aan de Tweede Kamer over de vervolgstappen rond de Zelfstandigenwet. De wet moet per 1 januari 2028 ingaan. Het kabinet wil met daarmee een einde maken aan de aanhoudende onzekerheid over de vraag wanneer iemand buiten dienstbetrekking als zelfstandige kan werken. Die onzekerheid kan volgens het kabinet niet alleen schijnzelfstandigheid in de hand werken, maar leidt ook tot risicomijdend gedrag van opdrachtgevers en het onnodig uitsluiten van zelfstandigen.
Hoewel het bestaande wettelijke kader ruimte biedt voor zelfstandigheid en arresten van de Hoge Raad in onder meer de Deliveroo- en Uber-zaken meer duidelijkheid hebben gegeven, constateert het kabinet dat er “veel discussie en onzekerheid” blijft bestaan over de kwalificatie van arbeidsrelaties. De nieuwe wet moet daarom duidelijke spelregels vooraf bieden en een “veilige haven” creëren: wie aan de wettelijke voorwaarden voldoet, moet zeker weten dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Zelfstandigentoets en werkrelatietoets
De kern van het wetsvoorstel bestaat uit twee toetsen met een beperkt aantal concrete criteria. De zelfstandigentoets ziet op de persoon van de zelfstandige. De werkrelatietoets richt zich op de vrijheid en onafhankelijkheid van de zelfstandige binnen de concrete opdracht en daarmee op het ontbreken van gezag.
Welke criteria precies gaan gelden, maakt het kabinet op korte termijn bekend bij de tweede internetconsultatie. Als uitgangspunt noemt Aartsen dat een zelfstandige onafhankelijk is van anderen, ondernemersrisico’s draagt waarvan hij ook kan profiteren en de vrijheid heeft om het eigen werk te organiseren. Daar staat volgens het kabinet een eigen verantwoordelijkheid tegenover om de risico’s van zelfstandig werken goed te regelen.
Daarmee blijft de kern overeind van het eerdere initiatiefvoorstel waaraan VVD, D66, CDA en SGP werkten, maar niet alle onderdelen daarvan keren terug. De toetsingscommissie en sectorale rechtsvermoedens maken geen onderdeel meer uit van de Zelfstandigenwet. Volgens het kabinet is “de markt allereerst gebaat bij duidelijke spelregels”.
Nieuwe wettelijke bepaling over gezag
Het kabinet benadrukt daarnaast dat de Zelfstandigenwet de bestaande bescherming van werknemers niet moet aantasten. Daarom wordt een nieuwe bepaling in de wet opgenomen die regelt wanneer géén sprake is van gezag en iemand dus in ieder geval als zelfstandige kan werken.
Aan de huidige kwalificatie van het werknemerschap en de bescherming die daarbij hoort, wil het kabinet niets veranderen. Het verwijst daarbij naar artikel 7:610 lid 1 BW. De eisen in de Zelfstandigenwet moeten volgens Aartsen voorkomen dat werkenden onbedoeld en zonder werknemersbescherming als zelfstandige aan de slag gaan. Daarbij wordt rekening gehouden met Europese rechtspraak over het werknemersbegrip.
Het voorstel kiest daarmee voor een afbakening aan de kant van zelfstandigheid: de nieuwe bepaling moet vastleggen wanneer in ieder geval géén gezagsverhouding bestaat. Het kabinet omschrijft dat als de wettelijke “veilige haven” voor zelfstandigen.
Behandeling in 2027
Eind september wil het kabinet het wetsvoorstel voor uitvoeringstoetsen aanbieden. Tegelijkertijd begint de tweede internetconsultatie en volgt opnieuw een toets door het Adviescollege toetsing regeldruk. Daarna moet het voorstel zo snel mogelijk naar de Raad van State.
De parlementaire behandeling in de Tweede en Eerste Kamer staat voor 2027 gepland. Als dat tijdpad wordt gehaald, kan de Zelfstandigenwet op 1 januari 2028 in werking treden.
Volgens Aartsen is deze zomer verder aan het voorstel gewerkt en is gesproken met onder meer experts, sociale partners, zelfstandigen- en brancheorganisaties en uitvoeringsorganisaties. Het kabinet zegt die gesprekken voort te willen zetten. Uiteindelijk moet de wet niet alleen meer duidelijkheid bieden en schijnzelfstandigheid tegengaan, maar ook zorgen voor een maatschappelijke en politieke “pacificatie” van het al jaren omstreden zzp-dossier.
