
De informatie over een voormalige klant die een accountant op verzoek aan de belastinginspecteur heeft verstrekt, was al bij de Belastingdienst bekend en was daarom niet vertrouwelijk. Bovendien was hij fiscaalrechtelijk gezien verplicht aan het informatieverzoek medewerking te verlenen, vindt de AA.
Pensioen-BV
De klant had zich in mei 2009 gemeld bij het kantoor van de AA. Op dat moment was er voor diens octrooigemachtigde vennootschap al vanaf 1999 geen jaarrekening meer opgesteld, geen aangifte vennootschapsbelasting meer gedaan en was niet meer voldaan aan de publicatieplicht bij de Kamer van Koophandel. Daarover was discussie met de Belastingdienst ontstaan en er waren ambtshalve aanslagen opgelegd. De vennootschap was zakelijk niet actief, maar was bedoeld als pensioen-BV voor de klant.
Verzoek fiscus
In 2012 zegde het kantoor van de AA de samenwerking op omdat een goede werkrelatie niet meer mogelijk zou zijn. Na die tijd, in 2014, schreef een medewerkster van de AA aan een (opvolgend) inspecteur van de belastingdienst: “Op uw verzoek zenden wij u de opgestelde vaststellingovereenkomst in 2009 en de jaarrekening 2002 van Octooigeachtigde [BV1].” Beide stukken werden als bijlagen bij de e-mail gevoegd. Over die (concept) jaarrekening 2002 en met name de pensioenvoorziening daarin liep in juni 2014 een gerechtelijke procedure.
Tuchtzaak
De voormalige klant begon vervolgens een tuchtzaak tegen de accountant over onder andere het verzenden van de stukken aan de fiscus. De Accountantskamer verklaarde de klacht niet-ontvankelijk in verband met het concentratie-van-klachtenbeginsel, maar het CBb bepaalde dat de Accountantskamer het klachtonderdeel over doorzending aan de fiscus ten onrechte niet-ontvankelijk had verklaard en verwees dat deel terug.
In 2020 legde de Accountantskamer een waarschuwing op aan de AA. De tuchtrechter was van oordeel dat de accountant in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid heeft gehandeld. Daarbij werd onder meer geoordeeld: “Tussen partijen staat vast dat betrokkene, via zijn medewerkster, in juni 2014 de conceptjaarcijfers 2002 van de vennootschap en de in december 2009 gesloten vaststellingsovereenkomst desgevraagd aan een opvolgend inspecteur van de belastingdienst heeft verstrekt. De jaarcijfers 2002 waren door klager aan betrokkene toevertrouwd om in 2009 een aansluiting te maken van de administratie voor het vaststellen van pensioentermijnen en om over belastingaangiften tot 2009 met de belastingdienst afspraken te maken. Deze stukken die afkomstig zijn van de cliënt betreffen naar hun aard vertrouwelijke gegevens. Ook als de gegevens al eerder door klager of betrokkene aan de belastingdienst zijn verstrekt, blijft dat in beginsel het geval.”
Vertrouwelijkheid
De voormalige klant is inmiddels overleden, maar diens weduwe zet de door hem aangetekende hoger beroepsprocedure voort. Zowel de voormalige klant als de AA tekende namelijk hoger beroep aan. De voormalige klant omdat hij vond dat een waarschuwing te licht is. De accountant omdat hij bestrijdt dat hij het beginsel van vertrouwelijkheid heeft geschonden.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) acht de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Met betrekking tot de vertrouwelijkheid van de aan de fiscus doorgespeelde informatie onderschrijft het College oordeel van de Accountantskamer dat de AA in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid heeft gehandeld en maakt dat oordeel en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen, tot de zijne. Daar voegt het College naar aanleiding van wat in hoger beroep naar voren is gebracht het volgende aan toe:
“Uit de artikelen 16 tot en met 19 van de VGBA, waarin het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid is uitgewerkt, volgt dat de accountant die de beschikking krijgt over gegevens of inlichtingen waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, verplicht is tot geheimhouding van die gegevens. Behoudens de situatie dat hij wettelijk verplicht is gegevens om inlichtingen te verstrekken (artikel 16, onder a), zal hij in zijn besluitvorming om op grond van artikel 16, onderdelen b tot en met e, al dan niet tot het verstrekken van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen over te gaan, onder meer de belangen van betrokken partijen en derden, waaronder het algemeen belang, moeten betrekken, en ook de overwegingen moeten vastleggen die tot zijn besluit hebben geleid. […]
Duidelijk is dat het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid een van de beginselen is die de relatie van de accountant met de cliënt beheersen. Blijkens zijn pleidooi op de zitting van het College onderkent [naam 1] dat ook. Hij stelt immers dat het uiteraard zo is dat alvorens een accountant inzage in een dossier van een cliënt geeft, hij hiervoor instemming van die cliënt zal moeten hebben, aangezien hij is gehouden aan zijn geheimhoudingsplicht op grond van artikel 16 van de VGBA. Het College wijst erop dat in de toelichting van de VGBA is benadrukt, dat het beginsel van vertrouwelijkheid uiteraard ook blijft voortbestaan nadat de accountant zijn relatie met zijn cliënt (of de organisatie waar hij werkzaam is of waaraan hij is verbonden) heeft beëindigd. […]
[naam 1] is er ten onrechte van uitgegaan dat de gevraagde gegevens niet vertrouwelijk waren en zonder overleg met [naam 2] aan de belastinginspecteur konden worden verstrekt. Het concept van de jaarcijfers 2002 bevatte voorlopige (bedrijfs)gegevens van de vennootschap van [naam 2] , inclusief zijn pensioenvoorziening. Zulke gegevens zijn naar hun aard vertrouwelijk. [naam 1] had dit concept, dat in opdracht van [naam 2] , althans zijn vennootschap, door een ander kantoor was opgesteld, verkregen voor de uitvoering van zijn opdracht om [naam 2] bij te staan bij het treffen van een regeling met de Belastingdienst over achterstallige belastingaangiften. Uit het feit dat de stukken eerder waren gedeeld en dat de belastinginspecteur om deze specifieke stukken vroeg, volgt niet dat hij al kon worden geacht met de inhoud ervan bekend te zijn. Naar de redenen voor het achteraf alsnog opvragen van gegevens, anders dan dat ze niet voorhanden waren, heeft [naam 1] naar eigen zeggen ook niet geïnformeerd. Het feit dat [naam 2] hem indertijd in het kader van de onderhandelingen met de Belastingdienst toestemming had gegeven de gegevens te delen, wil niet zeggen dat [naam 1] in juni 2014 kon aannemen dat hij de instemming van [naam 2] had om dat opnieuw te doen. [naam 2] was sinds september 2012 niet meer zijn cliënt. De opdracht ten behoeve waarvan hij de gegevens in handen had gekregen en op grond waarvan hij ze aan de Belastingdienst ter beschikking mocht stellen, was in juni 2014 dus al geruime tijd beëindigd. Anders dan hij meent, stond het [naam 1] na het beëindigen van zijn opdracht – en het vervallen van de reden om gegevens te gebruiken of met derden te delen – niet vrij te beslissen de vertrouwelijke gegevens opnieuw te gebruiken of te delen, in elk geval niet zonder hierover met zijn voormalige opdrachtgever in overleg te treden. […]
[naam 1] stelt dat hij wettelijk verplicht was – hij noemt de artikelen 53 en 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen – aan het informatieverzoek van de belastinginspecteur medewerking te verlenen. Hij had op 11 juni 2014 echter slechts een telefoontje van de belastinginspecteur gekregen, die hem vroeg of hij bereid was bepaalde documenten door te sturen, blijkbaar omdat men ze bij de Belastingdienst niet kon vinden. Een dergelijke informele vraag dwingt niet tot medewerking. Dat [naam 1] wist dat het verzoek van een senior medewerker van de Belastingdienst kwam, maakt dit niet anders. […]
[naam 1] stelt dat hij geen reden had om aan te nemen dat [naam 2] bezwaren zou hebben tegen het ter beschikking stellen van deze (al eerder beschikbaar gestelde) gegevens. De vraag of er in de tussentijd belangen van de kant van zijn voormalige cliënt waren gerezen die eraan in de weg stonden de vertrouwelijke gegevens te verstrekken, heeft hij zich echter niet gesteld. Gelet op de bijzondere verantwoordelijkheid die op grond van artikel 16 van de VGBA op hem rust, mocht dat van hem worden verwacht. Om deze belangen mee te kunnen wegen, had [naam 1] met [naam 2] contact moeten opnemen. Zeker nu er sinds de beëindiging van de cliëntrelatie de nodige tijd was verstreken en [naam 1] , zoals uit zijn antwoorden tijdens de zitting van de accountantskamer kan worden opgemaakt, wist dat er (ook) tussen [naam 2] en de Belastingdienst nog meningsverschillen waren. Als de vertroebelde verhouding met [naam 2] en zijn gemachtigde [naam 1] ervan heeft weerhouden met hem in overleg te treden, zoals hij op de zitting van het College heeft aangegeven, dan had hij de mogelijkheid om, ofwel de belastinginspecteur naar [naam 2] door te verwijzen, ofwel een formeel informatieverzoek te verlangen. Ook dat heeft [naam 1] echter niet gedaan. […]
Op grond van het voorgaande is het College van oordeel dat klachtonderdeel a terecht gegrond is verklaard. [naam 1] had de vertrouwelijke gegevens van (de vennootschap van) [naam 2] niet zonder overleg met [naam 2] aan de belastinginspecteur ter beschikking mogen stellen. Hij heeft in strijd met het fundamentele beginsel van vertrouwelijkheid gehandeld.”
College van Beroep voor het bedrijfsleven, ECLI:NL:CBB:2023:495
