Over de periode van 20 november 2006 tot en met 11 januari 2010 ontvangen een man en een vrouw een uitkering op bijstandsniveau van de Gemeenschappelijke regeling Stroomopwaarts MVS. De over deze periode ontvangen uitkering bedroeg in totaal € 52.977,97. Door een besluit van 21 november 2022 trekt de gemeente de uitkering in vanaf 10 november 2022 omdat de vrouw vanaf dat moment recht had op AOW.
In het kader van een project ‘Onderzoek Vermogen in het Buitenland’ heeft de gemeente uit het bestand bijstandsgerechtigden personen geselecteerd voor een onderzoek naar het recht op bijstand. Het stel is voor dit onderzoek geselecteerd. In opdracht van de gemeente heeft het Bureau Attaché voor Sociale Zaken te Ankara een internetonderzoek gedaan.
Daaruit blijkt dat het stel bij de afdeling onroerende zaken van de gemeente Kirşehir voorkomen met hun Turkse persoonsnummers. In verband hiermee heeft het Bureau Attaché het Internationaal Bureau Fraude (IBF) geadviseerd om het stel een machtiging te laten verstrekken waarmee een medewerker van het Bureau Attaché verder onderzoek kan doen bij het Turkse kadaster en/of de afdeling ozb. Het stel verstrekt de machtiging.
De bevindingen van het onderzoek worden neergelegd in een rapport waaruit komt dat in het verleden in de stad Kirşehir twee onroerende goederen op naam van het stel geregistreerd stonden met een totale waarde van € 63.307,-. Daarmee is aangetoond dat het stel een hoger vermogen hadden dan zij hadden opgegeven toen zij hun bijstandsuitkering aanvroegen en kregen. De bijstandsuitkering wordt ingetrokken en de ontvangen bijstandsuitkering van € 52.977,97 wordt teruggevorderd.
Ongeoorloofd onderscheid
Het stel vindt dat bij de uitvoering van het onderzoek naar hun vermogen in het buitenland sprake is geweest van een ongeoorloofd onderscheid. Ze vinden dat de bevindingen uit het onderzoek onrechtmatig zijn verkregen en moeten van de besluitvorming worden uitgesloten. Volgens hen is binnen de groep bijstandsgerechtigden sprake van ongelijke behandeling, met name tussen bijstandsgerechtigden met Nederland als land van herkomst en bijstandsgerechtigden met een ander land van herkomst, zoals Turkije. Het stel vermoedt dat de gemeente zijn pijlen uitsluitend richt op bijstandsgerechtigden met een andere etnische achtergrond dan autochtone in Nederland geboren bijstandsgerechtigden. Ze stellen vast dat zij in het onderzoek zijn betrokken enkel vanwege hun Turkse afkomst.
Het stel voert verder aan dat de gemeente niet duidelijk heeft gemaakt dat sprake was van voldoende gegevens om hen aan te melden voor het onderzoek naar vermogen in het buitenland. De gemeente beschikte voornamelijk over gegevens over de periode vóór 2016 en er is gekeken naar hun bankrekeningen, maar dit heeft niets te maken met hun vakantiegedrag.
Voor rechtbank Rotterdam staat vast dat de gemeente bij het project ‘Onderzoek Vermogen in het Buitenland’ gebruik heeft gemaakt van een risicoprofiel. Uit het dossier blijkt dat de gemeente voor het onderzoek personen heeft geselecteerd die bijstand ontvangen en die vanaf 1 januari 2016 langer dan dertig dagen en/of meer dan twee keer per jaar in het buitenland zijn geweest. Hieruit zijn 456 bijstandsgerechtigden voortgekomen. Hierbij is geselecteerd op verblijf in het buitenland in tenminste drie van de vijf jaren, op verblijf in het buitenland in twee van de vijf jaren én in 2019 meerdere keren per jaar.
Geen waarde gehecht aan nationaliteit bijstandsgerechtigde
Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de stukken van het onderzoek geen objectieve aanknopingspunten om aan te nemen dat bij het ‘trechteren’ van de 456 treffers enige waarde is gehecht aan de nationaliteit van de bijstandsgerechtigde of dat bijstandsgerechtigden met de Nederlandse nationaliteit bewust buiten het onderzoek zijn gelaten. Omdat deze aanknopingspunten ontbreken is er ook geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te (laten) doen.
De gemeente geeft aan dat bij het onderzoek naar de registratie van onroerend goed de onderzoeken hebben plaatsgevonden in verschillende landen, onder meer in Turkije, Curaçao, Suriname, Polen en Engeland. Het onderzoek is dus niet uitsluitend gericht op vermogen in Turkije en ook niet op bijstandontvangers met een bepaalde nationaliteit of afkomst, dus ook niet de Turkse nationaliteit. Het stel voldeed aan de criteria van het onderzoek en is op basis hiervan geselecteerd.
Afgeven machtiging valt niet onder Participatiewet
Het stel vindt verder dat het vragen van de machtiging voor het doen van onderzoek naar het vermogen in het buitenland in strijd is met de goede orde en de goede zeden als bedoeld in artikel 3:40 van het Burgerlijk Wetboek. Zij stellen dat het afgeven van een dergelijke machtiging niet onder het bereik van artikel 17 van de Participatiewet valt, maar dat de gemeente hen wel op de voet van artikel 17 van de Pw heeft gedwongen om de machtiging te verstrekken. Volgens het stel dreigde de gemeente met de opschorting van de uitkering als de machtiging niet werd verstrekt en koppelde hier ook de mogelijkheid van het geven van een boete aan.
Het stel wijst er verder op dat de gemeente gebruik heeft gemaakt van een onjuiste machtiging, omdat hierin staat dat zij aan de Sociale verzekeringsbank informatie moeten verstrekken, in plaats van aan de gemeente. Dit betekent volgens hen dit dat zij geen toestemming hebben gegeven als bedoeld in artikel 9 van de Turkse privacywetgeving. De hierna verkregen informatie is dan ook onrechtmatig, en in strijd met de zogenoemde indruis-jurisprudentie, verkregen.
Inlichtingenplicht is geschonden
De rechtbank oordeelt dat wat het stel heeft aangevoerd onvoldoende is om te twijfelen aan de validiteit van de machtiging. Het argument dat de uitkering van het stel kan worden opgeschort als zij de machtiging niet zouden verstrekken en er een boete zou kunnen worden opgelegd is onvoldoende bewijs. Dat de gemeente aangeeft wat de gevolgen kunnen zijn als het stel deze afspraak niet nakomt, betekent niet dat het afgeven van de machtiging is afgedwongen. Uit de wet volgde ten tijde van het bestreden besluit immers dat dit mogelijke gevolgen konden zijn, waar de gemeente het stel op heeft gewezen.
De rechtbank concludeert dat het stel hun inlichtingenplicht hebben geschonden door geen melding te maken van hun vermogen in het buitenland. De waarde van het vermogen is evenmin door het stel weersproken. Nu zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij ondanks schending van de inlichtingenplicht wel recht hadden op bijstand in de periode in geschil, houdt de intrekking van hun bijstandsuitkering stand.
