• Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
  • Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
Fiscaal Vanmorgen

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
Home » Box 3-heffing terecht door waardestijging woning, geen rechtsherstel

Box 3-heffing terecht door waardestijging woning, geen rechtsherstel

Nieuws

Een belastingbetaler heeft na de verkoop van een woning niet aannemelijk gemaakt dat het werkelijk rendement lager is dan het bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking genomen voordeel uit sparen en beleggen, oordeelt het gerechtshof Amsterdam.

13 september 2024 door Fiscaal Vanmorgen

Een man is eigenaar van twee woningen. Sinds 1990 is de eerste woning zijn hoofdverblijf.  De WOZ-waarde van deze woning bedroeg op 1 januari 2015 € 393.000,- en op 1 januari 2017 € 548.000,-. Op 9 januari 2007 koopt hij een tweede woning voor een bedrag van € 385.000,-. Na de sloop van deze woning wordt er een nieuwe woning gebouwd. In 2011 verhuist hij naar deze aangekochte woning en dat wordt zijn nieuwe hoofdverblijf. Zijn eerste woning verkoopt hij in het tweede kwartaal van 2017 voor een bedrag € 575.000,-.

Het geschil voor de rechtbank Noord-Holland richt zich op de vraag of de verkochte woning kan worden aangemerkt als eigen woning en of de woning terecht in box 3 is belast. De rechtbank stelt vast dat de man de verkochte woning in sinds 2011 niet meer bewoonde en dat de nieuw gekochte woning sindsdien fungeerde als hoofdverblijf. In zoverre kan de in 1990 aangeschafte woning in niet meer als eigen woning worden aangemerkt.

Beroep op verhuisregeling slaagt niet

De rechtbank begrijpt dat de man zich beroept op de zogenoemde verhuisregeling in artikel 3.111, tweede lid, Wet IB 2001. Op grond hiervan kan een voormalige eigen woning bestemd voor verkoop tijdelijk mede worden aangemerkt als eigen woning. Er moet dan wel sprake zijn van een leegstaande woning die de belastingplichtige in het kalenderjaar of in een van de drie voorafgaande jaren als eigen woning ter beschikking heeft gestaan. En het moet aannemelijk zijn dat de woning bestemd is voor verkoop.

Niet in geschil is dat de eerste woning bestemd was voor verkoop. Nu vaststaat dat de man de tweede woning in 2011 als hoofdverblijf in gebruik heeft genomen, brengt dit met zich dat niet is voldaan aan de eis dat de eerste woning de man de drie voorafgaande jaren (zijnde 2012, 2013 en 2014) als eigen woning in de zin van artikel 3.111, eerste lid, van de Wet IB 2001 ter beschikking heeft gestaan.

De rechtbank verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3912 waarin het hof heeft geoordeeld dat de eerste woning niet kon worden aangemerkt als eigen woning, ook niet op grond van de verhuisregeling. Rest nog te behandelen het standpunt van de man dat de verhuisregeling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel en met artikel 1 EP.

Het hof overweegt dat de wetgever de verhuisregeling als crisismaatregel voor de woningmarkt heeft kunnen treffen en daarbij de vrijheid had deze mede om uitvoeringstechnische en doelmatigheidsredenen te beperken tot een bepaalde periode. De wetgever is zich ervan bewust geweest dat de crisis zich niet overal in gelijke mate voordeed en hij heeft mede met het oog daarop de tweejaarstermijn waarin een tweetal woningen door belastingplichtigen in box 1 kan worden aangehouden uitgebreid tot 3 jaar. De gedachte hierbij is dat  naar mate een langere periode is gelegen tussen de verkoop van de eigen woning na het moment waarop een andere (eigen) woning is aangekocht, het vanuit de crisismaatregel veronderstelde verband tussen de aan- en verkoop minder aannemelijk zal zijn.

Hoge Raad beslist hoe werkelijk rendement wordt bepaald

In het arrest van de Hoge Raad van 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704 is beslist dat bij het bepalen van het werkelijk rendement:

  • moet worden gekeken naar het nominale rendement op alle vermogensbestanddelen in box 3 die de belastingplichtige in de loop van het jaar heeft gehad, zonder aftrek van het heffingsvrije vermogen;
  • geen rekening kan worden gehouden met positieve of negatieve rendementen in andere jaren;
  • geen rekening kan worden gehouden met kosten maar wel met renten die betrekking hebben op schulden; en
  • ook positieve en negatieve waardeveranderingen van vermogensbestanddelen tot dat rendement behoren (ook als ze nog niet zijn gerealiseerd).

De belastingplichtige die het standpunt inneemt dat hij door het forfaitaire stelsel in box 3 wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement, dient feiten te stellen om  aannemelijk te maken wat de omvang is van dat werkelijke rendement op zijn gehele vermogen in box 3. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet voldaan aan deze op hem rustende bewijslast.

In zijn arrest van 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:857, heeft de Hoge Raad over een woning die behoort tot het vermogen in box 3 beslist dat voor de vaststelling van het werkelijke rendement daarvan de waarde daarvan aan het begin en aan het einde van het jaar moeten worden bepaald op basis van de Wet waardering onroerende zaken.  Uit de stukken is niet duidelijk geworden wat de exacte omvang van het door de man in 2017 gerealiseerde werkelijk rendement is.

Geen rechtsherstel vanwege schending EVRN

Tot het rendement behoort in ieder geval het verschil van de WOZ-waarde op 1 januari 2017 ( € 548.000,-) van de eerste woning en de verkoopprijs van € 575.000,-. Die waardestijging van € 27.000,- is terecht belast in box 3 volgens het hof. Dat rendement van € 27.000,- is hoger dan de € 8.625 die de inspecteur in aanmerking heeft genomen. Daardoor is het niet aannemelijk dat het werkelijk rendement lager is dan het bij het vaststellen van de aanslag in aanmerking genomen voordeel uit sparen en beleggen, aldus het hof. Voor rechtsherstel wegens schending van het EVRM en het eerste protocol bij dat verdrag bestaat derhalve geen reden.

Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2024:2284

Categorie: Nieuws Tags: box 3, rendement

Tags: box 3, rendement

Gerelateerde artikelen

6 maart 2026

Het nieuwe box 3-stelsel: doorpakken, bijsturen of opnieuw beginnen?

27 februari 2026

Kamer wil verliezen kunnen verrekenen in aangepaste box 3

26 februari 2026

‘Vermogensaanwasbelasting “enige weg vooruit” voor box 3’

25 februari 2026

Heinen grijpt in: nieuwe box 3-belasting gaat toch op de schop

Docenten

John Bult
Audrey Brunings
Ron Mulder
Geert Witlox
Heleen Elbert
Willem Veldhuizen
Bob de Koning
Saskia Jacobsen
Pieter Kok
Casper Mons
Joost Severs
Mike Wong
Martijn Bedaux
Jeroen Knol
Debby Kettler
Debby Kettler
Tom Berkhout
Ewoud de Ruiter
Bob van Leeuwen
Edwin de Witte
Kees Beishuizen
Léon de Jager
jan wietsma
Jan Wietsma
Martijn Paping
Martijn Paping
Winfred Merkus
Jan van Wijngaarden
Joep Swinkels
Jan Mooren
Koert van Loon
Marja van den Oetelaar
Daan van Antwerpen
Alex Schrijver
Roger van de Berg
Herman van Kesteren
Almer de Beer
Almer de Beer
Wilbert Nieuwenhuizen
Kirsten Kievit
Rakesh Ghirah
Patrick Wille
Hans Geuns
Barry Willemsen
Hans Tabak
Hanneke Kroonenberg
Teunis van den Berg
Rob van Oosterhout
Bram Lemmens
Bart Koreman
Arnaud Booij
Albert Heeling
Bernard Schols
Guney Bagislayici
Imke Bos
Martin de Graaf
Ludo Mennes
Rohalt Janssens
Martine Cranendonk
Chanien Engelbertink
Chris Dijkstra
Matthijs van Keulen
Erik van Toledo
Kirsten Roskam
Michiel Pouwels
Derwish Rosalia

Blogs

  • Notaris kon btw op kosten niet volledig aftrekken! 17 weergaven
  • Verlegging van invoer-btw in Nederland: van vooruitstrevend naar achter de feiten aan lopen 7 weergaven
  • Goede doelen en btw; 5 tips waar je als goed doel aan moet denken 5 weergaven
  • Hof van Justitie: verplichte vermelding op factuur bij toepassing vereenvoudigde ABC-regeling 3 weergaven

Fiscaal Vanmorgen (FV) is het platform voor belastingadviseurs, fiscalisten, accountants en iedereen die geïnteresseerd is in fiscale opleidingen en fiscaal nieuws.

Fiscaal Vanmorgen is een uitgave van MOCuitgevers Vanmorgen.

 

Categorie

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière

Info

  • Over ons
  • Contact
  • Algemene voorwaarden MOCuitgevers Vanmorgen
  • Annuleringsvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
Cookies
Om u beter van dienst te kunnen zijn, maakt Fiscaal Vanmorgen gebruik van cookies.
  • Ik ga akkoord
  • Instellingen
  • Functionele cookies zijn noodzakelijk voor de werking van deze website
  • We gebruiken Google Analytics, netjes geanonimiseerd
  • Annuleren
  • Ik ga akkoord

Instellingen