De uitspraak kan impact hebben op projectontwikkelaars en verhuurders van tijdelijke woonruimte. In deze specifieke zaak kocht een vastgoedbedrijf in 2019 een voormalig kantoorpand en verbouwde het tot 52 appartementen. Van die appartementen werden er 24 in eerste instantie tijdelijk en gemeubileerd verhuurd voor drie tot vijf maanden. De huurprijs bedroeg €995 per maand, inclusief nutsvoorzieningen en internet. De huurovereenkomsten vielen onder zogenoemde short-stay-contracten.
Oordeel gerechtshof: vergelijkbaar met hotelverhuur
De fiscus weigerde aanvankelijk btw-teruggaaf, met het argument dat woningverhuur normaal gesproken is vrijgesteld van btw. De verhuurder stelde echter dat het om kortdurende verhuur ging die vergelijkbaar is met hotelaccommodatie. Het gerechtshof gaf de verhuurder daarin gelijk: de tijdelijke, gemeubileerde verhuur valt volgens de wet onder een uitzondering, omdat het voorziet in een behoefte waar ook hotels in voorzien.
Volgens het hof doet het er niet toe dat de appartementen later wél voor langere periodes zijn verhuurd. Doorslaggevend is het karakter van de eerste verhuur, die de verhuurder volgens het hof in concurrentie bracht met de hotelsector.
Belastingdienst kan nog naar de Hoge Raad
Met dit oordeel bevestigt het gerechtshof een eerdere uitspraak van de rechtbank. Daarmee lijkt de vastgoedondernemer voorlopig in zijn recht te staan, al kan de Belastingdienst het oordeel nog aanvechten bij de Hoge Raad. Mocht die de lijn van de lagere rechters volgen, dan kan dit een precedent scheppen voor andere partijen die investeren in short-stay-verhuur.
Btw nooit afgedragen
Opvallend in deze zaak is dat het met de verhuurder gelieerde bouwbedrijf, dat de btw op de verbouwing in rekening had gebracht, inmiddels failliet is en de btw nooit aan de Belastingdienst heeft afgedragen. Desondanks werd de teruggaaf aan de vastgoedonderneming toegekend.
