Dit voordeel was in veel gevallen niet belast bij de managers of slechts beperkt belast. De lucratief belangregeling is in het leven geroepen om dit voordeel in box 1 of box 2 in de belastingheffing te betrekken. Bij de behandeling van het wetsvoorstel is aangegeven dat deze regeling niet bedoeld is om reguliere werknemersparticipaties in de belastingheffing te betrekken als lucratief belang. Toch gebeurt het wel als de structuur niet op de juiste wijze wordt opgezet. Hierna ga ik in op een veel voorkomende structuur waarbij een werknemer gaat participeren in de werkgever en de aandachtspunten daarbij.
De lucratief belangregeling is bedoeld om voordelen uit bijvoorbeeld een aandelenparticipatie in de belastingheffing te betrekken waarbij door een hefboomwerking een groot rendement wordt behaald. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een situatie waarbij iemand een aandelenbelang mag kopen in een besloten vennootschap, waarbij de koopsom van de aandelen laag wordt gehouden omdat de besloten vennootschap met veel vreemd vermogen is gefinancierd. Een koopholding koopt een deelneming voor € 1.250.00, die jaarlijks € 200.000 winst na vpb maakt en de koopholding beschikt over € 100.000 eigen vermogen en een lening van de verkopende dga van € 1.150.000 met 6% rente. Als een werknemer dan 20% van de aandelen heeft gekocht voor € 20.000, heeft die werknemer na 1 jaar € 21.122 rendement gemaakt (20% van € 200.00 minus € 69.000 rente en € 24.890 Vpb). Dit kwalificeert als een lucratief belang door de hoge financiering van de verkopende dga.
Door het aandeel van de financiering van de dga omlaag te brengen, bijvoorbeeld door de toetredende werknemer meer te laten betalen voor het 20% belang, is geen sprake meer van een lucratief belang. Dat wil overigens nog niet zeggen dat de werknemer dan veilig zit qua inkomstenbelastingheffing. Als het behaalde rendement op de investering te hoog is in de ogen van de Belastingdienst, kan nog steeds sprake zijn van een voordeel uit loondienstbetrekking. Omdat hier de aandachtspunten van het lucratief belang worden behandeld ga ik niet verder in op dit onderwerp.
Een dga is op leeftijd en denkt na om de aandelen in zijn bedrijf te verkopen. Er is een werknemer waar de dga veel potentie in ziet, maar die niet over voldoende vermogen beschikt om de aandelen te kunnen kopen. Daarom heeft de dga samen met zijn adviseur bedacht om de aandelen aan een nieuwe tussenholding te verkopen waar hijzelf 50% van de aandelen in houdt via zijn persoonlijke holding en de werknemer houdt ook 50% van de aandelen. De nieuwe tussenholding koopt de aandelen in de werkmaatschappij voor een zakelijke prijs. De aandelen worden gewaardeerd op € 5 miljoen, de bank financiert 50%, zijnde € 2,5 miljoen. Dat betekent dat de dga en de werknemer samen € 2,5 miljoen moeten financieren. De werknemer beschikt over € 300.000 aan vermogen om te investeren. Dat betekent dat de verkopende holding van de dga een lening van € 1.900.000 moet verstrekken. Het plaatje ziet er dan als volgt uit:

Omdat de verkopende dga minder dan 90% van de koopsom financiert (via een lening en via het gestorte aandelenkapitaal) kan je concluderen dat de lucratief belangregeling hier niet speelt. Toch kan de lucratief belangregeling in deze situatie spelen als er bij het opzetten van de structuur met agio wordt gewerkt in plaats van aandelenkapitaal.
Stel dat in het cijfervoorbeeld hiervoor gekozen is om door iedere aandeelhouder € 1.000 aandelenkapitaal te storten en € 299.000 agio, dan ziet de verdeling van de financiering er als volgt uit:

Dan heeft de verkopende dga meer dan 90% gefinancierd. Deze uitkomst wordt veroorzaakt door een bepaling in artikel 3.92b die per 1 januari 2024 in de wet is gekomen die bedoeld was om de voor de schatkist negatieve uitkomst van een procedure bij de rechtbank te repareren. Het gaat om artikel 3.92b lid 5 Wet IB 2001 in combinatie met artikel 3.92b lid 2 letter a Wet IB 2001. Het agio telt niet mee om te bepalen wat de kopende werknemer heeft ingelegd.
In artikel 3.92b lid 5 Wet IB 2001 is opgenomen dat het moet gaan om een lening die mede bijdraagt als beloning als bedoeld in het eerste lid van het artikel. Je zou natuurlijk kunnen betogen dat de lening niet bedoeld is om als beloning bij te dragen, de vraag is echter of dat betoog succesvol zal zijn.
In de literatuur is opgemerkt dat de toevoeging van het vijfde lid overkill met zich meebrengt omdat door deze toevoeging de lucratief belangregeling een veel ruimere werking heeft gekregen. De wetgever heeft daar helaas niets mee gedaan.
Voorgaande betekent dat bij het opzetten van een structuur waarbij personeel participeert, je niet onbedoeld in de fuik moet lopen van het aanwezig zijn van een lucratief belang. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat als je juist wel een lucratief belang wilt creëren, deze bepaling hierbij helpt. Dat betekent dus dat door juist met agio te werken, ontstaat een lucratief belang.
Tot slot is het van belang om in het achterhoofd te houden dat de aanwezigheid van het lucratief belang van jaar tot jaar getoetst moet worden. Als na verloop van tijd door aflossingen en het stijgen van aanwezige winstreserves in de target, kan de werknemer uit het lucratief belang lopen. Onzeker is wat dat betekent voor de praktijk: moet er dan afgerekend worden? Of kan in afwachting van het realiseren van het lucratief belang door verkoop van de aandelen in de target de belastingheffing worden uitgesteld?
mr. Ewoud de Ruiter is belastingadviseur bij 3RRR Belastingadviseurs en verbonden aan Publiq belastingadviseurs.
Meer weten over werknemersparticipatie en lucratief belang? Volg dan de cursus werknemersparticipatie en lucratief belang op 1 oktober 2025 daarover bij Fiscaal Vanmorgen
