Daarbij weegt mee dat dga’s vijf jaar de tijd hebben gekregen om op de nieuwe wetgeving te anticiperen en dat de drempel uiteindelijk is verhoogd naar 700.000 euro.
Een dga hield in 2023 alle aandelen in een BV en had per 31 december van dat jaar een schuld van 1.272.292 euro aan die vennootschap. Daardoor werd in zijn aangifte IB/PVV 2023 een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van 572.292 euro opgenomen wegens een fictief regulier voordeel. De Belastingdienst volgde de aangifte. Voor de rechtbank stelde de dga dat belastingheffing over dit fictieve reguliere voordeel op stelselniveau in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en met de artikelen 6 en 7 EVRM.
Bovenmatige schulden
De rechtbank overweegt dat de Wet IB 2001 per 1 januari 2023 is gewijzigd door de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Sindsdien behoren ook ‘het bovenmatige deel van schulden die de belastingplichtige, zijn partner of de belastingplichtige tezamen met zijn partner rechtens dan wel in feite direct of indirect heeft bij vennootschappen waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belang heeft’ tot de reguliere voordelen. Als bovenmatig wordt aangemerkt het deel van de totale schulden dat het maximumbedrag van 700.000 euro overschrijdt. Een eigenwoningschuld blijft buiten beschouwing, voor zover voor die schuld een recht van hypotheek op de eigen woning is verstrekt aan de vennootschap.
Volgens de memorie van toelichting is een onbedoeld effect van het Nederlandse belastingstelsel dat dga’s en andere aanmerkelijkbelanghouders belastingheffing langdurig kunnen uitstellen en soms zelfs geheel kunnen voorkomen.
Belastingontwijking
Door liquide middelen als lening aan de eigen vennootschap te onttrekken in plaats van als dividend uit te keren of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Volgens de wetgever moet deze vorm van belastingontwijking door langdurig uitstel of zelfs afstel van belastingheffing in excessieve gevallen worden tegengegaan. Daarom is gekozen voor een regeling die excessief lenen bij de eigen vennootschap ontmoedigt.
De rechtbank stelt voorop dat belastingheffing een inbreuk vormt op het door artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht. Zo’n inbreuk is toegestaan als zij een wettelijke grondslag heeft, een legitiem doel dient en een ‘fair balance’ respecteert tussen het algemeen belang en de belangen van de individuele belastingplichtige.
Wettelijke grondslag
Volgens de rechtbank voldoet de regeling aan het vereiste dat de inbreuk ‘lawful’ moet zijn. De heffing is gebaseerd op een voldoende toegankelijke, nauwkeurige en voorzienbare wettelijke regeling. Dat voor bepaalde typen leningen geen tegenbewijsregeling bestaat, maakt dat niet anders.
Legitiem doel en ‘fair balance’
De rechtbank oordeelt dat de regeling een legitiem doel in het algemeen belang dient: het voorkomen van uitstel en afstel van belastingheffing. Op fiscaal terrein komt de wetgever daarbij een ruime beoordelingsvrijheid toe.
Ook de vereiste ‘fair balance’ is volgens de rechtbank aanwezig. Daarbij verwerpt de rechtbank tevens het beroep op het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om, behoudens kwalificerende eigenwoningschulden, alle geldleningen onder de regeling te brengen. Daarmee is volgens de rechtbank geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen of gelijke behandeling van ongelijke gevallen.
Ruime beoordelingsvrijheid
Volgens de rechtbank heeft de wetgever zich voldoende rekenschap gegeven van de gevolgen van de regeling voor aanmerkelijkbelanghouders. De regeling werd al in september 2018 aangekondigd, waardoor belastingplichtigen uiteindelijk vijf jaar de tijd kregen om hun schuldpositie aan te passen.
Daarnaast is ervoor gekozen om kwalificerende eigenwoningschulden in beginsel buiten beschouwing te laten, leidt terugbetaling van eerder belaste schulden tot een negatief regulier voordeel en is de drempel voor 2023 verhoogd van de oorspronkelijk voorgestelde 500.000 euro naar 700.000 euro. Alles afwegend is volgens de rechtbank sprake van een redelijke en proportionele verhouding tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. De wetgever is daarmee binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid gebleven.
Ook het beroep op het draagkrachtbeginsel slaagt niet. Anders dan bij de oude box 3-heffing, waar belasting werd geheven over een forfaitair rendement, ziet deze regeling op bedragen waarover de aanmerkelijkbelanghouder daadwerkelijk heeft kunnen beschikken. Daarom is volgens de rechtbank geen sprake van een met box 3 vergelijkbare situatie.
Geen bestraffend of afschrikwekkend karakter
De rechtbank oordeelt verder dat de heffing over een fictief regulier voordeel geen ‘criminal charge’ vormt in de zin van artikel 6 EVRM. Dat de regeling een ontmoedigende werking beoogt, maakt haar nog niet bestraffend of afschrikwekkend. Evenmin is sprake van een sanctie die is gericht op het toevoegen van leed aan de belastingplichtige. De artikelen 6 en 7 EVRM zijn daarom niet van toepassing.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de heffing over een fictief regulier voordeel een gerechtvaardigde inbreuk vormt op het eigendomsrecht. Van strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM of met de artikelen 6 en 7 EVRM is geen sprake.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:18512
