Een vader, die alle veertig aandelen in een BV houdt, levert op 4 augustus 1994 zestien certificaten van aandelen aan zijn twee kinderen. De BV is enig aandeelhouder in een dochter-BV die een onderneming drijft tot 1 januari 2018. Op 30 augustus 2018 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat de dochter-BV is ontbonden en, omdat er geen bekende baten meer aanwezig zijn, met ingang van 1 januari 2018 opgehouden is te bestaan. Met ingang van die datum wordt de onderneming voortgezet door de vader.
Geen aanmerkelijk belang aangegeven
De aangiften IB/PVV 2017 van vader en zijn fiscaal partner (vrouw) zijn ingediend op 1 juni 2018. In de aangiften is geen (belastbaar inkomen uit) aanmerkelijk belang aangegeven. In de aangiften is wel een schuld in box 3 aangegeven van € 203.872,- met als omschrijving ‘BV’. De aanslagen IB/PVV 2017 zijn met dagtekening 31 juli 2018 conform de ingediende aangiften aan vader en zijn vrouw opgelegd.
De aangiften IB/PVV 2018 van vader en zijn vrouw zijn ingediend op 2 mei 2019. Ook in deze aangiften is geen (belastbaar inkomen uit) aanmerkelijk belang aangegeven en geen schuld in box 3. Met dagtekening 21 juni 2019 zijn de aanslagen IB/PVV 2018 conform de ingediende aangiften aan vader en zijn vrouw opgelegd.
Op 29 april 2019 dient een van de kinderen met haar fiscale partner de aangifte IB/PVV 2018 in waarbij geen (belastbaar inkomen uit) aanmerkelijk belang wordt aangegeven. De inspecteur deelt mee dat hij navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 op gaat leggen aan de vrouw omdat zij belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten in 2018. Op 3 december 2019 is de aangifte Vpb over het jaar 2018 van de dochter-BV ingediend waarin is vermeld dat de dochter-BV in 2018 is ontbonden.
Sprake van nieuw feit?
De vrouw gaat niet akkoord met de aan haar opgelegde navorderingsaanslagen en voor de rechtbank Noord-Nederland is het de vraag of deze terecht zijn opgelegd en of de inspecteur over een nieuw feit heeft beschikt. De vrouw en haar partner stellen dat de inspecteur niet na mocht vorderen omdat de ontbinding van de dochter-BV bij de Belastingdienst bekend was en dat eveneens bekend was dat de vrouw in bezit was van 8 certificaten. Dit zou inhouden dat er geen sprake is van een nieuw feit.
De rechtbank stelt voorop dat vaststaat dat de inspecteur heeft nagevorderd met de bevoegdheid die is neergelegd in artikel 16, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Daarin is bepaald dat indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting kan navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren (ambtelijk verzuim).
De rechtbank constateert dat de dagtekening van de aanslagen IB/PVV over het jaar 2018 8 juni 2019 van de vrouw) en 15 juni 2019 van haar partner is. De aangifte Vpb, waarin staat vermeld dat de dochter-BV met ingang van 1 januari 2018 is ontbonden, is ingediend op 3 december 2019. Op 14 april 2020 wordt vervolgens de aangifte Vpb geselecteerd en in behandeling genomen door de inspecteur vennootschapsbelasting en dat is het moment dat hij redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met de liquidatie van de dochter-BV.
Bij opleggen aanslag was ontbinding BV niet bekend bij inspecteur
De rechtbank stelt vast dat deze datum later is dan de datum waarop beide definitieve aanslagen IB/PVV 2018 zijn opgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen IB/PVV 2018 niet bekend was met de ontbinding van de dochter-BV en het (mogelijk hieruit voortvloeiende) inkomen uit aanmerkelijk belang.
Pas op het moment dat de inspecteur vennootschapsbelasting de inspecteur inkomstenbelasting heeft gecontacteerd is de inspecteur inkomstenbelasting bekend geraakt met de ontbinding van de dochter-BV en het (mogelijk) daarmee gepaard gaand belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. In zoverre levert dit dan ook een feit op dat als uitgangspunt kwalificeert als nieuw feit.
De rechtbank is ook van oordeel dat de inspecteur niet redelijkerwijs bekend had kunnen zijn met dat feit. In tegenstelling tot wat de vrouw en haar partner beweren was de inspecteur niet gehouden om de aangiften aan een nader onderzoek te onderwerpen. Dat er zich van 2017 op 2018 een vermogenssprong in box 3 had voorgedaan in de aangifte van vader door het wegvallen van een schuld met de omschrijving ‘BV’ brengt immers niet automatisch met zich mee dat de gegevens in de aangiften 2018 van de vrouw en haar partner onjuist zijn en dat de inspecteur gehouden was nader onderzoek te doen. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de inspecteur bevoegd was om de navorderingsaanslagen op te leggen.
“Geturboliquideerd’
Op de vraag of de navorderingsaanslag tot de juiste hoogte is vastgesteld voeren de vrouw en haar partner aan dat de ontbinding van de dochter-BV leidt tot een negatief vervreemdingsvoordeel. Omdat er ‘geturboliquideerd’ is, zouden er geen baten meer zijn. Er staat wel een vordering op vader op de balans van de dochter-BV, maar uitgaande van de turboliquidatie moet men de conclusie trekken dat deze niet meer aanwezig was ten tijde van de liquidatie. Hiervan uitgaande heeft de dochter-BV alleen negatief vermogen wat tot een negatief vervreemdingsvoordeel zou kunnen leiden.
De rechtbank overweegt dat het feit dat gebruik is gemaakt van een zogeheten turboliquidatie niet automatisch met zich meebrengt dat er (daadwerkelijk) geen baten zijn geweest ten tijde van de liquidatie. Uit de eerder ingediende aangiften vpb blijkt namelijk dat er een vordering van de dochter-BV op vader op de balans staat. Uit het dossier blijkt niet dat deze vordering door de dochter-BV is kwijtgescholden of dat er dividend is uitgekeerd aan vader waarmee deze vordering is verrekend.
Negatief vervreemdingsvoordeel
De vrouw en haar partner stellen verder dat, hoewel er meerdere certificaathouders waren, alleen vader genieter is geweest van de vordering of een eventuele uitkering. Dit zou ertoe leiden dat alleen vader een eventueel belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten en dit voor de andere certificaathouders heeft geleid tot een negatief vervreemdingsvoordeel. Dat standpunt volgt de rechtbank niet.
Weliswaar bestond het vermogen van de dochter-BV uit een vordering op vader, maar dat brengt niet met zich mee dat alleen hij genieter is geweest van een (positief) vervreemdingsvoordeel en daaruit voortvloeiend belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang. Dat er mogelijk een aandeelhoudersvergadering heeft plaatsgevonden en dat met 2:216 van het Burgerlijk Wetboek een andere uitkering heeft plaatsgevonden dan naar rato van aandelenbezit, betreft naar het oordeel van de rechtbank, een blote stelling die niet is onderbouwd met stukken. De rechtbank gaat er daarom, met de inspecteur, vanuit dat (liquidatie)uitkeringen hebben plaatsgevonden naar rato van uiteindelijk aandelenbezit en dat is voor de vrouw 20 %.
De navorderingsaanslagen blijven in stand en het beroep is ongegrond.
Rechtbank Noord-Nederland, ECLI:NL:RBNNE:2026:2181
