Een in 1998 opgerichte BV heeft onder anderen het doel het verlenen van adviezen en andere diensten, en het verkrijgen, exploiteren en vervreemden van registergoederen. In november 2013 koopt de BV een woonhuis dat bestaat uit een dubbele benedenwoning, die vrij van huur is en een dubbele bovenwoning die wordt verhuurd, voor een bedrag van € 625.000,-. Een jaar later wordt de dubbele benedenwoning gesplitst van de dubbele bovenwoning. De benedenwoning wordt verkocht aan een derde en de bovenverdieping die wordt verhuurd wordt op de balans van de BV geactiveerd.
In 2016 verkoopt de BV het appartementsrecht van de dubbele bovenwoning voor € 150.000,- aan een werknemer en een stichting waarvan de certificaten worden gehouden door de dga en zijn echtgenote. De woning wordt echter niet geleverd. In september 2016 overlijdt de huurder en wordt de huur beëindigt.
Bovenwoning gesplitst in appartementen
In 2017 worden er renovatie- en verbouwingswerkzaamheden verricht aan de dubbele bovenwoning en wordt door de gemeente een vergunning verleend om de dubbele bovenwoning te splitsen in twee appartementen. Ten behoeve van financiering voor de BV zijn in opdracht van de bank door een taxatiebedrijf de appartementen in verhuurde staat getaxeerd op een waarde economisch verkeer van € 1.050.000,-.
In 2018 neemt de dga van de BV het koopcontract over van de werknemer en de stichting. De appartementen worden vervolgens door de BV aan de dga geleverd voor een bedrag van € 150.000,-. In 2020 doen de dga en zijn echtgenote aangifte IB/PVV over 2018 waarbij zij geen van beiden belastbaar inkomen uit aanmerking belang aangeven. Na een boekenonderzoek en een taxatie van de Belastingdienst besluit de inspecteur om de BV een navorderingsaanslag Vpb, een naheffingsaanslag dividendbelasting en vergrijpboetes op te leggen. Aan de echtgenote van de dga wordt een navorderingsaanslag IB/PVV 2018 opgelegd.
Verkapte winstuitdeling?
De inspecteur is, in het geschil voor de rechtbank Noord-Holland na het beroep van de dga, van mening dat de echtgenote in 2018 inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft genoten door een verkapte wintuitdeling. Bovendien is hij van mening dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als relatief bezien aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting.
De inspecteur stelt dat de BV niet langer gebonden was aan de koopovereenkomst van 13 april 2016 omdat de leveringsdatum van 1 december 2016 verstreken is zonder dat partijen een nieuwe leveringsdatum overeen zijn gekomen. Daarnaast kon de BV, vanwege de splitsing en verbouwing van de dubbele bovenwoning, niet meer hetzelfde goed overdragen als waar de koopovereenkomst betrekking op had. Dat betekent volgens hem dat op het moment van de levering in 2018 uitgegaan moet worden van de waarde in het economisch verkeer op dat moment van € 1.050.000,-.
Gemaakte afspraken waren zakelijk
De rechtbank acht de inspecteur niet geslaagd in zijn bewijslast. De rechtbank stelt vast dat op het moment dat de koopovereenkomst werd gesloten (13 april 2016) de daarin gemaakte afspraken, waaronder de koopprijs van € 150.000,- zakelijk waren. Het is de rechtbank niet gebleken dat een van de partijen bij deze koopovereenkomst van 13 april 2016 zich vóór het moment van de contractsovername op 17 april 2018 op het standpunt heeft gesteld dat de koopovereenkomst niet langer geldig zou zijn of ontbonden zou zijn of moeten worden.
De rechtbank is van oordeel dat de BV geen mogelijkheid had om eenzijdig onder haar verplichtingen op grond van de koopovereenkomst uit te komen. Dat de BV vanwege het overlijden van de huurder en de splitsing en verbouwing en de daardoor ontstane waardestijging van de bovenwoning, de mogelijkheid zou hebben gehad eenzijdig onder de oorspronkelijke koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen, acht de rechtbank niet aannemelijk gemaakt.
De omstandigheden dat de leveringsdatum van 1 december 2016 was verstreken zonder dat partijen op dat moment een nieuwe datum zijn overeengekomen en dat de dubbele bovenwoning zodanig was gewijzigd dat niet langer hetzelfde goed door de BV geleverd kon worden, maken niet dat de overeenkomst van 13 april 2016 niet langer zou gelden. Hooguit zouden de kopers, de stichting en de werknemer, zich er op hebben kunnen beroepen dat sprake zou zijn van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door de BV, maar dit is niet gebeurd.
Rechtsverhouding overgedragen aan dga
Met de contractovername hebben de werknemer en de stichting hun rechtsverhouding tot de BV (met haar medewerking) overdragen aan de dga. Naar het oordeel van de rechtbank heeft deze overdracht niet tot gevolg dat de overeengekomen afspraken in koopovereenkomst zijn komen te vervallen of dat de BV de mogelijkheid had onder de koopovereenkomst van 13 april 2016 uit te komen.
In zijn stelling dat sprake zou zijn van een verkapte winstuitdeling stelde de inspecteur dat de BV onzakelijk heeft gehandeld door mee te werken aan contractovername, zonder daar een vergoeding voor te verlangen. Hierdoor heeft de dga voor een veel lagere prijs dan de waarde in het economisch verkeer de eigendom van de appartementen kunnen verkrijgen en is daardoor de BV verarmt. Dat de BV met de contractovername akkoord is gegaan kan volgens de inspecteur enkel zijn ingegeven door de wens haar aandeelhouder, de dga, als zodanig te bevoordelen.
Geen voordeel laten ontgaan
Nu de rechtbank van oordeel is dat de BV ook in 2018 nog gehouden was de bovenwoning tegen een prijs van € 150.000,- te leveren, ook al was de waarde in het economisch verkeer van die bovenwoning op dat moment € 1.050.000,-, is van een verkapte winstuitdeling geen sprake. Hoewel de werknemer en de stichting onder deze omstandigheden wellicht de mogelijkheid hadden van de dga een vergoeding te vragen voor de medewerking aan de contractsovername, betekent dit niet dat de BV zich hier een voordeel heeft laten ontgaan. De BV was immers verplicht om de bovenwoning voor € 150.000,- te leveren.
Het beroep van de dga dient dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, gegrond te worden verklaard. De navorderingsaanslagen voor de BV en de dga worden vernietigd.
Rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2026:3200
