Een dga houdt via zijn bv een belang van 25% in een vennootschap. In 2008 verstrekt de bank leningen aan de vennootschap. De dga stelt zich samen met drie anderen borg voor de door de bank aan de vennootschap verstrekte leningen. In een brief opgesteld in 2019 geeft de bank de vennootschap aan de leningen niet te willen verlengen vanwege de hoge loan-to-value en de negatieve cashflow uit de verhypothekeerde onderpanden. Een verbetering van de situatie zegt de bank niet te verwachten.
Cessie van leningen
De bank, de dga en twee van de andere borgstellers gaan vervolgens over tot cessie van de leningen. De dga krijgt bij wijze van cessie een vordering van € 313.000,- op de vennootschap. In de akte van cessie is bepaald dat de eerder ten behoeve van de bank aangegane borgstellingen als nevenrechten met de vorderingen zijn overgegaan, en de nieuwe schuldeiser de betreffende borg onder dezelfde voorwaarden als voorheen de bank kan aanspreken. De dga verstrekt aan de vennootschap een bedrag van € 37.000,- om boeterente aan de bank te betalen en maakt in 2019 € 75.000,- over aan de vennootschap.
In zijn aangifte IB/PVV over 2020 geeft de dga een negatief verzamelinkomen aan waarin, als kosten uit terbeschikkingstelling van vermogen, de afwaardering van de vordering op de vennootschap is begrepen. De inspecteur laat de afwaardering van de vordering op de vennootschap bij de aanslag niet toe. Rechtbank Zeeland-West-Brabant beoordeelt of de dga in 2020 een verlies uit terbeschikkingstelling in aanmerking mag nemen in verband met de overgenomen lening van de bank tot een bedrag van € 313.000,-.
Ook borgstellingen op dga overgegaan
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat voor het in aanmerking nemen van een verlies uit terbeschikkingstelling van vermogen is vereist dat een verlies is geleden. De dga voert aan dat hij een verlies van € 313.000,- op de van de bank overgenomen lening heeft geleden. Omdat de inspecteur een andere mening is toegedaan is het aan de dga om zijn stelling aannemelijk te maken.
De rechtbank overweegt dat met de overname van de leningen van de bank ook de borgstellingen die destijds met de bank waren afgesproken op onder meer de dga zijn overgegaan. Dat betekent dat de dga als schuldeiser de andere borgstellers had kunnen aanspreken om zijn verlies op de vordering op de vennootschap vergoed te krijgen. Niet gesteld of anderszins aannemelijk is geworden dat de borgen in dit geval geen verhaal boden om de vordering van de dga te voldoen. Van een aftrekbaar verlies op de vordering op de vennootschap is dan, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake.
Onzakelijke afspraak
Dat de dga ervoor heeft gekozen de andere borgstellers niet aan te spreken omdat zij onderling hadden afgesproken over en weer de borgstellingen niet in te roepen, dient vanuit fiscaal perspectief als een onzakelijke afspraak voor het bepalen van het resultaat uit terbeschikkingstelling te worden genegeerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de afwaardering van de vordering daarom terecht bij de aanslag gecorrigeerd. Aan de subsidiaire stelling van de inspecteur, dat ten tijde van de cessie sprake was van een onzakelijke vordering en dat op die grond geen verlies op de gecedeerde vordering kan worden genomen, komt de rechtbank daarom niet meer toe.
De dga voert verder aan dat hij naast de lening voor de boeterente (€ 37.000,-) aanvullende bedragen aan de vennootschap heeft uitgeleend tot een bedrag van € 105.000,-. Daarnaast is volgens hem door hem in 2019 ook nog € 30.000,- aan de vennootschap uitgeleend om daarmee een aflossing op een schuld aan de bv mogelijk te maken. Die lening blijkt volgens hem uit het feit dat de accountant van de vennootschap zou hebben verklaard dat de dga € 30.000,- aan de vennootschap had uitgeleend om die aflossing te doen.
De rechtbank is van oordeel dat de dga ten aanzien van die laatstgenoemde € 30.000,- het bestaan van een lening niet aannemelijk heeft gemaakt. De enkele stelling dat de accountant dat zou hebben verklaard, is tegenover de gemotiveerde betwisting door de inspecteur daarvoor onvoldoende en dat betekent dat met dit bedrag bij de aanslag terecht geen rekening is gehouden.
Waarde onroerend goed met brochure niet aannemelijk gemaakt
Wat betreft de lening voor de boeterente en de lening van € 75.000,- bestaande uit de aanvullende bedragen komt de rechtbank tot het oordeel dat op die leningen de borgstellingen niet van toepassing zijn. Voor deze leningen zijn geen leningsovereenkomsten opgesteld, geen zekerheden bedongen en geen aflossingsschema’s overeengekomen. De leningen zijn bovendien verstrekt in een periode waarin een belangrijke huurder van het onroerend goed had opgezegd en de bank had aangegeven de leningen aan de vennootschap te willen beëindigen. Daarbij had de vennootschap al sinds 2011 onafgebroken een negatief eigen vermogen.
De dga betoogde nog dat hij ervan uit mocht gaan dat het onroerend goed van de vennootschap voldoende onderpand voor aflossing van de leningen bood. Hij verwijst naar een verkoopbrochure waarin het onroerend goed voor 3,6 miljoen euro te koop is gezet. Met het enkele verwijzen naar een brochure met een vraagprijs is de waarde van het onroerend goed op het moment van verstrekken van de leningen, naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt. Een waardering van het onroerend goed door een erkend taxateur heeft niet plaatsgevonden en in 2020 is het onroerend goed voor een beduidend lagere prijs verkocht.
Op grond van deze feiten en onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er geen willekeurige derde bereid zou zijn geweest om deze leningen onder dezelfde voorwaarden als de dga aan de vennootschap te verstrekken. De leningen moeten daarom worden aangemerkt als onzakelijke leningen als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011, waarvoor geen verlies in aanmerking mag worden genomen. De inspecteur heeft daarom terecht de afwaardering van die leningen bij de aanslag IB/PVV 2020 geweigerd.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2026:7938
