Een man en een vrouw, die geen kinderen hebben, verwerven elk een belang van 50% in een BV die samen met een andere BV de eigenaar is van een groep vennootschappen die actief is in de op- en overslag van granen, peulvruchten en diervoeders in de Rotterdamse haven. De man en vrouw willen hun ondernemingsvermogen niet laten vererven aan hun neefjes en nichtjes maar laten toekomen aan goede doelen. Daarom richten zij een stichting op waarvoor de ANBI-status wordt aangevraagd en verkregen.
Bloot eigendom certificaten voor € 1 overgedragen
In 2010 vindt er een overleg plaats met inspecteurs van de Belastingdienst waarna wordt besloten om een tweede stichting op te richten (zonder ANBI-status) die de bloot eigendom van de certificaten van aandelen verkrijgt. De uitslag van het overleg is dat de vrouw, haar man en zijn broer de bloot eigendom van hun certificaten voor € 1 overdragen aan de tweede stichting waarbij zij het vruchtgebruik houden.
Bij verkrijging van de volle eigendom van de certificaten, bij overlijden van de vruchtgebruiker, is deze tweede stichting verplicht het dertig jarig vruchtgebruik van de certificaten van de aandelen te schenken aan de ANBI. De tweede stichting wordt verder verplicht om na deze dertig jaar opnieuw een dertig jarig vruchtgebruik ten behoeve van de ANBI te vestigen net zolang totdat de ondernemingsactiviteiten zijn gestaakt.
In 2015 overlijdt de vrouw en wijst, onder de last van enkele legaten, de tweede stichting aan als enige erfgename. Die stichting schenkt het vruchtgebruik van de aandelen van de vrouw aan de ANBI. Deze schenking is conform de afspraak met de Belastingdienst vrijgesteld van schenkbelasting. In de ingediende aangifte IB/PVV 2015 is geen voordeel uit aanmerkelijk belang opgenomen.
Afgezonderd Particulier Vermogen
In een brief aan de erven van de vrouw deelt de inspecteur mee dat sprake is van een afgezonderd particulier vermogen bij een afgezonderd vermogen waarbij meer dan bijkomstig een particulier belang wordt gediend. Omdat de (tweede) stichting geen ANBI is wordt die aangemerkt als een APV. De inspecteur stelt dat volgens artikel 2.14a, lid 1 Wet IB 2001 het ingebrachte vermogen in een APV wordt toegerekend aan de inbrengers. De inbrengers van vermogen in het APV zijn de man, zijn vrouw en de broer van de man. Zij hebben als certificaathouders hun certificaten in de stichting ingebracht.
Als gevolg van het genoemde artikel wordt de blote eigendom van de certificaten toegerekend aan de inbrengers. De inbrengers bezitten zodoende in fiscale zin de volle eigendom van de certificaten. Daarom blijven zij ook na certificering van de aandelen en levering van het bloot eigendom in 2011 voor de volle eigendom aanmerkelijkbelanghouder.
De vrouw heeft in aangifte IB/PVV 2015 (alleen) haar aandelen in de ANBI aangegeven. De inspecteur is van mening dat de volle eigendom van de certificaten van haar aandelen had moeten aangeven. Door het overlijden van de vrouw is naar de mening van de inspecteur sprake van een fictieve vervreemding van haar aanmerkelijk belang ingevolge artikel 4.16, lid le Wet IB 2001.
Economisch belang blijft bij vruchtgebruiker
De erven van de vrouw gaan in beroep bij de rechtbank Gelderland die de stelling van de erven verwerpt dat aan het vruchtgebruik ten tijde van het overlijden een waarde van nihil moet worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat na de overdracht van de bloot eigendom in 2011 het economisch belang bij de certificaten van de aandelen volledig bij de drie vruchtgebruikers is gebleven. De tweede stichting zal immers op geen enkel moment de volledige eigendom van de certificaten van aandelen verwerven.
De bloot eigendom wast niet aan, omdat de stichting telkens het 30-jarige vruchtgebruik weer ‘om niet’ moet verlenen aan de ANBI zolang de ondernemingsactiviteiten niet zijn geëindigd. Na het staken van die ondernemingsactiviteiten eindigt het vruchtgebruik en moeten de certificaten van aandelen om niet aan de ANBI worden overgedragen. De bloot eigendom vertegenwoordigt daarom geen enkel economisch belang. Het stemrecht komt ook volledig toe aan de vruchtgebruikers.
De rechtbank komt tot de conclusie dat op het moment van overlijden van de vrouw sprake is van een fictieve vervreemding van haar aanmerkelijk belang in de zin van art. 4.16 van de Wet IB 2001. Het voordeel uit aanmerkelijk belang is door de inspecteur gebaseerd op de intrinsieke waarde en vastgesteld op ruim 10 miljoen euro. Feitelijk had de waarde volgens de inspecteur op een hoger bedrag vastgesteld moeten worden uitgaande van de DCF-methode. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur met de door hem ingebrachte berekeningen van waardedeskundigen voldoende aannemelijk gemaakt dat het in aanmerking genomen voordeel uit aanmerkelijk belang niet te hoog is.
Beroep op vertrouwensbeginsel
De erven stellen verder dat er een intensief afstemmingstraject met de Belastingdienst heeft plaatsgevonden, waarbij uitvoerig aandacht is geweest voor de juridische inrichting van de structuur en de fiscale aspecten hiervan. De tweede stichting is opgericht op instigatie van de Belastingdienst. Uiteindelijk is de structuur door de Belastingdienst getoetst en akkoord bevonden. Hierbij is het opgewekte vertrouwen ontstaan dat de Belastingdienst de overdracht van de bloot eigendom accepteert.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken volgt dat de aanvankelijk voorgenomen structuur (overdracht van de bloot eigendom van de certificaten van aandelen aan de nieuw op te richten ANBI) is voorgelegd aan de inspecteurs van de Belastingdienst die hebben geadviseerd om een tweede, niet-ANBI stichting op te richten waaraan de bloot eigendom kon worden overgedragen.
De rechtbank is van oordeel dat de erven met hetgeen zij hebben overgelegd, niet aannemelijk hebben gemaakt dat de inspecteur IB vertrouwen heeft gewekt dat er geen gevolgen in de inkomstenbelasting (met betrekking tot het aanmerkelijk belang) zouden zijn verbonden bij (fictieve) vervreemding van het vruchtgebruik, bijvoorbeeld bij overlijden. Uit de stukken volgt niet dat de inspecteur is gevraagd een uitdrukkelijk standpunt in te nemen. Bovendien hebben de erven ook niet aannemelijk gemaakt dat met de inspecteur IB is gesproken over de mogelijke fiscale gevolgen van de gekozen structuur voor de IB.
Geen sprake van onredelijke heffing
De erven stellen dat sprake is van een onredelijke heffing omdat er niet daadwerkelijk een inkomen is genoten. De rechtbank verwerpt deze stelling omdat het in artikel 4.16 van de Wet gaat om zogenoemde fictieve vervreemdingen. Hierin wordt aangegeven welke rechtsfeiten of rechtshandelingen mede worden verstaan als vervreemding van aandelen. De fictieve vervreemding als bedoeld in artikel 4.16, eerste lid, onderdeel e, van de Wet strekt er toe dat de overleden aanmerkelijkbelanghouder geacht wordt voor de toepassing van de Wet het aanmerkelijk belang te hebben vervreemd.
Zonder deze wettelijke fictie zou ter zake van het aanmerkelijke belang geen belastingheffing kunnen plaatsvinden, omdat de overleden aanmerkelijkbelanghouder geen rechtshandeling verricht waardoor de aandelen uit zijn vermogen verdwijnen. Met andere woorden, de wetgever heeft er juist bewust voor gekozen om in situaties als deze, alsnog tot belastingheffing te kunnen komen.
Het beroep van de erven wordt daarmee ongegrond verklaard door de rechtbank.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2025:7053