Op 1 juli 2023 is de Wet toekomst pensioenen (Wtp) in werking getreden en hiermee is artikel 48a van de pensioenwet geïntroduceerd. In dit artikel is het volgende vastgelegd: “De pensioenuitvoerder begeleidt de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde op een adequate wijze bij het maken van een keuze binnen de pensioenovereenkomst, zorgt voor de inrichting van de keuzeomgeving en stelt de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde daarmee in staat om een passende keuze te maken”.
De vraag dringt zich op in hoeverre je je als werkgever kunt verschuilen achter dit wetartikel als we daarnaast ook nog te maken hebben met het Burgerlijk Wetboek, en in het bijzonder artikel 7:611. Hierin staat het volgende vermeld: “De werkgever en de werknemer zijn verplicht zich als een goed werkgever en een goed werknemer te gedragen”.
In de rechtspraak zijn genoeg voorbeelden te vinden waarbij een werkgever aansprakelijk wordt gesteld voor de gevolgen van het zich niet als goed werkgever gedragen. Maar wat is nu een goed werkgever in het kader van de keuzebegeleiding? Op dit moment is daar nog geen jurisprudentie over. Werkgevers doen er wat ons betreft goed aan daar niet op te wachten, maar de handschoen op te pakken en te zorgen dat werknemers op een juiste wijze de voorlichting van een financieel deskundige krijgen.
Keuzemogelijkheden
Welke keuzes heeft een werknemer op het moment dat deze de pensioeningangsdatum gaat bereiken? De daadwerkelijke mogelijkheden hangen af van het pensioenreglement van de pensioenuitvoerder. Zo zit er met name een verschil in mogelijkheden tussen een pensioenfonds en een eigen verzekerde pensioenregeling/PPI.
- Vaste pensioenuitkering: de werknemer ontvangt elke maand hetzelfde pensioenbedrag zo lang als deze leeft.
- Variabele pensioenuitkering: de werknemer blijft doorbeleggen met het pensioenkapitaal. Daardoor heeft deze ieder jaar een ander pensioeninkomen. Dat kan lager of hoger uitvallen.
- Combinatie tussen vaste en variabele pensioenuitkering: de werknemer kiest er voor een deel als vast bedrag per maand te ontvangen en voor het andere deel kiest hij voor een variabele pensioenuitkering.
- Hoog/laag constructie: de werknemer ontvangt de eerste jaren een hoger ouderdomspensioen en na verloop van tijd een lager ouderdomspensioen. Het is ook mogelijk eerst minder ouderdomspensioen te ontvangen en daarna meer.
- Uitruil pensioenaanspraken: dit betekent dat je een (deel) van het ouderdomspensioen omzet in een hoger partnerpensioen of juist andersom waarbij je rekening moet houden met de fiscale maxima en eventuele beperkingen van de pensioenuitvoerder.
- Overbrugging van de AOW-uitkering: wil de werknemer met pensioen voor de AOW-gerechtigde leeftijd? Dan ontvangt deze wel een pensioenuitkering maar nog geen AOW. Er is dan de mogelijkheid om tot de AOW-gerechtigde leeftijd de pensioenuitkering aan te vullen met een AOW-overbruggingspensioen. Voor 2025 bedraagt deze maximaal € 27.712,32 bruto per jaar.
- Uitstellen of vervroegen van de pensioeningangsdatum.
- 10% ineens opnemen van het opgebouwde ouderdomspensioen: deze mogelijkheid is al diverse keren door de wetgever uitgesteld en indien aangenomen voor 1 januari 2026 dan is dit wellicht mogelijk vanaf 1 juli 2026. Alhoewel er ook al geluiden opgaan om dit uit te stellen tot 2029.
- Shoprecht bij een pensioenfonds: nagenoeg alle pensioenfondsen kiezen bij de overgang naar de fiscale eisen van de nieuwe pensioenwet voor een solidaire premieregeling. Kenmerk hiervan is dat er dan géén shoprecht mogelijk is.
- Shoprecht bij een verzekeraar/PPI: heeft de werknemer een pensioenkapitaal opgebouwd dan moet deze op de pensioendatum hier een uitkering voor aankopen. Dat hoeft hij niet te doen bij dezelfde pensioenuitvoerder. Er is dan de mogelijkheid om te kijken welke pensioenuitvoerder de hoogste uitkering geeft.
Drie voorbeelden
Voorbeeld 1
| Geboortedatum werknemer | 1 december 1958 |
| Geboortedatum partner | 1 november 1958 |
| Pensioendatum | 1 december 2025 |
| Pensioenkapitaal bij verzekeraar | € 500.000 |
Wat is het verschil in hoogte van de pensioenuitkering (bruto per maand) bij de keuze tussen vast of variabel pensioen? Hieronder een indicatieve berekening.

Conclusie: het loont om de mogelijkheden te onderzoeken als het gaat om het verschil tussen een vaste of variabele uitkering ouderdomspensioen. Echter is er wel één belangrijke voorwaarde aan het kiezen voor een variabele uitkering: je moet niet onrustig worden als het tegenzit in de belegging waardoor je uitkering lager uit gaat vallen. Dit kan zowel tijdelijk als blijvend zijn.
Voorbeeld 2
| Geboortedatum werknemer | 5 september 1960 AOW-gerechtigde leeftijd is 5 september 2027 |
| Geboortedatum partner | 10 oktober 1962 AOW-gerechtigde leeftijd is 10 januari 2030 |
| Pensioengangsdatum | 1 september 2025 |
| Pensioenkapitaal bij een verzekeraar | € 355.449 |
| Verhouding aanspraken | 100% ouderdomspensioen en na overlijden 70% partnerpensioen |
| Uitvoerders (enkele voorbeelden) | Bruto ouderdomspensioen per jaar |
| Zwitserleven | € 16.680,96 |
| Nationale Nederlanden | € 16.444,08 |
| a.s.r. | € 16.385,88 |
| Allianz | € 16.358,04 |
| Centraal Beheer | € 16.219,20 |
Conclusie: het loont om te shoppen bij diverse pensioenuitvoerders waardoor je toekomstige uitkering ouderdomspensioen hoger uit kan gaan vallen.
Voorbeeld 3
Als docent bij MOC Uitgevers verzorg ik regelmatig trainingen aan HR- en salarisadviseurs. Tijdens één van deze trainingen over keuzebegeleiding kwam de volgende casus naar voren waarbij ik direct aanteken dat het hier om een zeer gevoelig onderwerp gaat. De vraag was: een werknemer heeft de verkeerde keuze gemaakt en nu staat de achterblijvende partner in de kou. Wat nu?
Deze werknemer had de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt en wilde zijn pensioenuitkering in laten gaan. Daarbij ontving hij van de pensioenuitvoerder de standaardaanbieding. Zie de volgende opties waarbij de hoogte van de pensioenuitkering niet van belang is.
Optie 1: 100% ouderdomspensioen en 70% partnerpensioen
Optie 2: Het ouderdomspensioen uitruilen voor een hoger partnerpensioen
Optie 3: Het partnerpensioen uitruilen voor een hoger ouderdomspensioen
Optie 4: De eerste jaren een hogere pensioenuitkering ontvangen en nadien een lagere pensioenuitkering.
Samen met de partner kiest de werknemer voor optie 3. Doe ons maar een zo hoog mogelijk ouderdomspensioen en geen partnerpensioen meer. Beiden ondertekenen het formulier. Waarom deze keuze? De werknemer had net voor het keuzemoment bericht ontvangen van zijn medisch specialist dat hij niet meer lang te leven zou hebben. De gedachte van nu zoveel mogelijk pensioengeld ophalen was daarbij de belangrijkste gedachte en optie 3 leek die wens te belichamen. Op zich niet zo gek gedacht. Echter binnen een jaar kwam de werknemer te overlijden en vanaf dat moment ontving de achterblijvende partner geen pensioenuitkering aangezien dit was uitgeruild voor een hoger ouderdomspensioen. Beter zou zijn geweest om juist het ouderdomspensioen uit te ruilen voor een hoger partnerpensioen waardoor de achterblijvende partner van een beter inkomen was voorzien.
Conclusie: laat je als deelnemer goed voorlichten om financiële problemen te voorkomen.
Tot slot
Een werknemer heeft vele opties als het gaat om het bepalen van de hoogte van de pensioenuitkeringen. De vraag is echter of de werknemer de gevolgen kan overzien van alle mogelijke keuzes. Pensioenuitvoerders bieden wel een platform aan waar je als werknemer op kunt inloggen, maar dan nog steeds zie je vaak door de bomen het bos niet meer. Het is aan te raden om de werknemer aan de hand te nemen waardoor wél de juiste keuzes gemaakt worden. Niet dat de werkgever zelf als financieel- of pensioenadviseur moet optreden, maar het aanhaken van de juiste financieel adviseur kan veel financieel leed voorkomen.
Ron Mulder MPLA is pensioenadviseur bij Alpina en als docent verbonden aan MOCUitgevers.
