Een man staat vanaf 10 maart 2011 ingeschreven in het handelsregister als eigenaar van een in de vorm van een eenmanszaak gedreven taxibedrijf. Hij staakt de onderneming per 31 december 2019. In zijn aangifte IB/PVV 2019 geeft hij een winst voor ondernemersaftrek aan van € 38.226,-. De ondernemersaftrek bedraagt € 26.538,- waarvan in aanmerking te nemen niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek uit voorgaande jaren van € 15.628,-. De inspecteur wijkt af van de aanslag en corrigeert de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek met een bedrag van € 9.484,-. De man maakt bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2019 en ZVW 2019.
Geen claim en geen bezwaar
De man heeft in 2012 een aangifte IB/PVV 2011 ingediend naar een belastbare winst van negatief € 6.851,-. In de aangifte is geen zelfstandigenaftrek, startersaftrek en ‘in aanmerking te nemen zelfstandigenaftrek voorgaande jaren’ geclaimd. De aanslag wordt vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte. Het ondernemersverlies is bij voor bezwaarvatbare beslissing vastgesteld op een bedrag € 6.851,-. De man maakt geen bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2011 en ZVW 2011. De man gaat na de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waar door het hof beoordeeld moet worden of de man voor 2019 recht heeft op verrekening van in 2011 niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek tot een bedrag van € 9.484,-.
De man stelt dat de niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek in de aangifte IB/PVV 2011, die door hem digitaal was verzonden, was opgenomen en dat de inspecteur daarom de niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek van € 9.484,- bij voor bezwaar vatbare beschikking had moeten vaststellen. Omdat die beschikking niet is vastgesteld dient dit volgens hem alsnog plaats te vinden zodat verrekening in het jaar 2019 mogelijk is. Dat de aanslag IB/PVV 2011 inmiddels definitief vaststaat, staat volgens de man niet ter discussie.
Fout in software
Het hof stelt voorop dat in de aangifte IB/PVV 2011 geen zelfstandigenaftrek is geclaimd. Naar het oordeel van het hof is de stelling van de man, dat vermoedelijk door een fout in de gebruikte ict/software de rubriek ‘ondernemersaftrek’ is weggevallen, zodat de inspecteur een aangifte IB/PVV 2011 heeft ontvangen waarin geen zelfstandigenaftrek is geclaimd, niet aannemelijk. Het hof is met de inspecteur van mening dat de beoordeling of recht bestaat op zelfstandigenaftrek dient plaats te vinden bij het vaststellen van, in dit geval, de aanslag IB/PVV 2011. Nu voor het jaar 2011 geen zelfstandigenaftrek is geclaimd of verrekend, is de inspecteur aan deze beoordeling niet toegekomen.
Het hof kan ook de inspecteur volgen die stelt dat de man noch tegen de aanslag IB/PVV 2011, noch tegen alle vaststellings- en verrekeningsbeschikkingen niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek over de jaren 2012 tot en met 2018 bezwaar heeft gemaakt. Ook heeft de man de termijn om een verzoek om ambtshalve vermindering IB/PVV 2011 in te dienen ongebruikt voorbij laten gaan. De man heeft daarmee de rechtsmiddelen om alsnog een beroep te kunnen doen op de zelfstandigenaftrek voor het belastingjaar 2011 laten verlopen. Omdat de aanslag daarmee definitief is kan niet meer bij aanslag kan worden vastgesteld dat de man in 2011 recht had op zelfstandigenaftrek en kan ook geen vaststellingsbeschikking ‘niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek’ worden genomen.
Hieruit volgt volgens het hof dat de inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2011 niet is toegekomen aan de beoordeling of de man heeft voldaan aan de eisen van artikel 3.76, lid 1 Wet IB 2001. De inspecteur kon er immers vanuit gaan dat geen zelfstandigenaftrek werd geclaimd. Dit houdt in dat de inspecteur ook niet is toegekomen aan de vaststelling van ‘niet gerealiseerde zelfstandigenaftrek’ bij voor bezwaar vatbare beschikking. Een (her)beoordeling kan alleen plaatsvinden als door de man rechtsmiddelen zoals bezwaar en beroep tegen de aanslag worden aangewend.
Controle aangifte behoorde niet tot opdracht
De gemachtigde verklaarde op de zitting dat er geen bezwaar is gemaakt omdat hij alleen een opdracht had om de aangifte IB/PVV 2011 op te stellen en bij de Belastingdienst in te dienen. Enige controle naar de juistheid van de aanslag IB/PVV 2011, die overeenkomstig de ingediende aangifte is opgelegd, heeft door gemachtigde daarom ook niet plaatsgevonden, omdat dat niet tot zijn opdracht behoorde. Het hof is van oordeel dat de mogelijke negatieve gevolgen van de keuze voor een dergelijke beperkte opdracht aan gemachtigde voor rekening en risico van de man dient te blijven. Verder staat voor het hof vast dat door de man ook geen bezwaar is gemaakt tegen de vaststellings- en verrekeningsbeschikkingen niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek die zijn genomen in de periode 2012 tot en met 2018.
Dat alles leidt tot het oordeel van het hof dat de man voor het jaar 2019 geen recht heeft op verrekening van de in 2011 niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek. Het hoger beroep is ongegrond.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2025:8439
