Een man die geboren is in 1951 ontvangt sinds 1 januari 2017 een AOW-uitkering. De man is enig aandeelhouder en bestuurder van een holding BV en een pensioen BV. Hij verricht in de jaren 2018 en 2019 werkzaamheden voor de holding BV en ontvangt daarvoor managementvergoedingen die hij als loon aangeeft in box 1. De aanslagen IB/PVV voor de jaren 2018 en 2019 zijn opgelegd conform de ingediende aangiften. Later blijkt dat de dga in 1997 een ontslagvergoeding heeft ontvangen waarvoor een stamrecht is aangekocht.
Dat stamrecht had echter al in 2017 (uiterlijke pensioenleeftijd) moeten ingaan. Omdat dit niet gebeurd is sprake van afzien van rechten en zou de waarde in het economisch verkeer in één keer moeten worden belast. Om de dga tegemoet te komen stelt de inspecteur voor om een en ander te herstellen naar de situatie zoals die had moeten zijn. De dga kiest voor de optie: navorderen IB/PVV 2017 en latere jaren via jaarlijkse stamrechtuitkeringen van € 22.894,-. Daarop legt de inspecteur navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 en 2019 op.
Met terugwerkende kracht managementvergoeding verlagen
Nadat de dga beroep instelt bij de rechtbank Den Haag oordeelt de rechtbank dat de door de dga voorgestelde herstelmethode niet mogelijk is. De dga wil met terugwerkende kracht de in 2018 en 2019 van holding BV ontvangen managementvergoeding verlagen. Daar bestaat volgens de rechtbank geen aanleiding voor omdat uit niets blijkt dat de managementvergoeding te hoog was. De van de holding BV ontvangen managementvergoeding staat los van de stamrechtuitkering die hij van pensioen BV had moeten ontvangen. Rechten en plichten van verschillende rechtspersonen kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig worden uitgewisseld.
In hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag is het de vraag of de in de belastbare inkomens uit werk en woning begrepen managementvergoedingen van holding BV alsnog verminderd dienen te worden met de in aanmerking genomen stamrechtuitkeringen van pensioen BV van € 22.894,-. En of de navorderingsaanslagen naar de juiste bedragen zijn opgelegd.
Voor het hof stelt de dga zich op het standpunt dat in de betreffende jaren de van holding BV ontvangen managementvergoedingen moeten worden verlaagd. De dga voert aan dat hij met holding BV aan het einde van het desbetreffende kalenderjaar onderling de hoogte van de managementvergoeding bepaalt. Factoren zoals onder meer omzet, winst, werkinzet, pensioen, kwalificatie, behoefte en overloop andere jaren moeten daarbij in aanmerking worden genomen. De omstandigheid dat in de die jaren stamrechtuitkeringen in de belastingheffing worden betrokken, ziet de dga als een dergelijke factor.
Fictieve inkomsten zonder dekking
De dga vindt dat sprake is van een gemaakte fout in 2018 en 2019, die met het verlagen van de managementvergoedingen moet worden hersteld. Door het in de heffing betrekken van de stamrechtuitkeringen is sprake van het belasten van fictieve inkomsten waarvoor geen dekking bestaat, zodat dit aan betaling van de stamrechtuitkeringen in de weg staat. Het verlagen van de managementvergoedingen lost dit probleem op volgens de dga.
Het hof overweegt dat op grond van artikel 3.146 Wet IB 2001 in samenhang met artikel 13a Wet LB 1964 loon of periodieke uitkeringen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip dat dit loon of deze uitkeringen zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden. Voor het hof staat het vast dat de dga in 2018 en 2019 arbeid voor holding BV heeft verricht. De dga heeft daarvoor in de aangiften IB/PVV 2018 en 2019 loon uit dienstbetrekking aangegeven. Dit brengt mee dat de dga de managementvergoedingen in die jaren als loon heeft genoten in de zin van artikel 10 Wet LB 1964 in samenhang artikel 3.146 Wet IB 2001.
Geen sprake van fout maar gewijzigd standpunt
Naar het oordeel van het hof faalt de stelling van de dga dat de managementvergoedingen voor verlaging in aanmerking komen, omdat volgens de website van de Belastingdienst een gemaakte fout in een desbetreffend jaar mag worden hersteld. De managementvergoedingen zijn immers door de dga genoten zodat geen sprake is van een fout, maar van een gewijzigd standpunt van de dga.
De stelling van de dga dat met holding BV aan het einde van het desbetreffende jaar de hoogte van de managementvergoeding kan worden vastgesteld en dat het ingaan van de stamrechtuitkering een factor is die een aanpassing van de vergoeding rechtvaardigt doet aan het voorgaande niet af. Vast staat immers dat een dergelijke aanpassing niet heeft plaatsgevonden.
Verlaging leidt tot negatief loon
Daar komt naar het oordeel van het hof bij dat het alsnog achteraf verlagen van de managementvergoedingen mee zou brengen dat negatief loon wordt genoten in het jaar waarin dit loon wordt terugbetaald aan holding BV of aan haar wordt schuldig erkend of verrekend in rekening-courant. Een dergelijke verlaging doet niet af aan het genietingsmoment van de onderhavige managementvergoedingen.
Dat de stamrechtuitkeringen van pensioen BV feitelijk niet tot uitbetaling zouden kunnen komen door de (gestelde) onvoldoende dekking indien de managementvergoedingen niet worden verlaagd, is evenmin een rechtvaardiging voor een verlaging van de managementvergoedingen, aldus het oordeel van het hof.
Of de stamrechtuitkeringen al dan niet tot uitbetaling zouden kunnen komen, is namelijk naar het oordeel van het hof niet van belang voor het antwoord op de vraag of de managementvergoedingen van holding BV terecht en tot de juiste bedragen in de heffing zijn betrokken en doet daarom ook niet af aan de belastbaarheid en het genietingsmoment.
Het hof komt tot de conclusie dat de dga de managementvergoedingen volledig heeft genoten. De inspecteur heeft deze vergoedingen dan ook terecht volledig in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De navorderingsaanslagen 2018 en 2019 zijn terecht en naar de juiste bedragen opgelegd.
Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2026:134
