Een inspecteur legt op 8 juni 2019 aan een erflaatster een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2018 op naar een inkomen uit box 3 van € 147.253,- waartegen de erflaatster bezwaar maakt. De erflaatster overlijdt op 21 mei 2020 en heeft bij testament haar zoon en dochter tot enige erfgenamen benoemd. Tijdens de zitting bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant komen de erfgenamen en de inspecteur overeen dat het werkelijk behaalde rendement over de bezittingen in box 3 in 2018 € 855,- bedraagt. De rechtbank vermindert de aanslag voor dat bedrag.
De inspecteur gaat in hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en stelt dat het tijdens de zitting bij de rechtbank overeengekomen werkelijk rendement van € 855,- met inbegrip van kosten is geweest van (bank)kosten. In dat geval moet volgens hem worden uitgegaan van een werkelijk rendement van € 1.738,-. De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024, volgens de inspecteur, immers geoordeeld dat bij de vaststelling van het rendement op bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten.
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur
De erven maken bezwaar tegen het door de inspecteur vastgestelde rendement van € 1.738,- omdat de inspecteur niet terugkomen op het eerder gesloten compromis waarop zij hebben mogen vertrouwen. Het hof is met de erven van oordeel dat de inspecteur hieraan is gebonden. De inspecteur en de erflaatster wilden kennelijk een geschil over het werkelijk rendement voorkomen en onzekerheid over de hoogte daarvan vermijden door gezamenlijk het bedrag van € 855,- vast te stellen. Dat betekent dat sprake is van een vaststellingsovereenkomst waarop het overeenkomstenrecht en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing zijn.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur niet heeft gesteld dat de overeenkomst nietig is, vernietigbaar zou zijn of in strijd is met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het beroep van de inspecteur op de nadien gewezen uitspraak van de Hoge Raad, waarin is geoordeeld dat bij de vaststelling van het rendement op bezittingen geen rekening kan worden gehouden met kosten, baat hem niet. De inspecteur heeft met het sluiten van de overeenkomst de kans aanvaard dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad anders zou volgen dan dat hij met de erflaatster over de kosten is overeengekomen.
Betaling rentevergoeding is niet aan de orde
Volgens de inspecteur heeft de rechtbank hem ten onrechte veroordeeld tot betaling van een rentevergoeding over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Het hof gaat daar wel in mee. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat als regel kan worden aangenomen dat met de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden, ook indien daarbij geen vergoeding van rente wordt toegekend.
De door de Hoge Raad genoemde uitzondering op deze regel, indien het beloop van de wettelijke rente meer is dan het bedrag van de belastingvermindering, doet zich in dit geval niet voor. Niet in geschil dat de wettelijke rente over de periode tussen de betaling van de box 3-heffing en de door de inspecteur terug te betalen bedragen niet meer is dan het bedrag van de belastingvermindering. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat met de vermindering van de aanslag passend een voldoende rechtsherstel is geboden en geen rente hoeft te worden vergoed. De beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant ten aanzien van de vergoeding van wettelijke rente moet daarom worden vernietigd.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is voor zover gericht tegen de veroordeling van de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van wettelijke rente over de periode tussen de datum van betaling van de in strijd met het EVRM geheven box 3-heffing en de datum van terugbetaling daarvan. Voor het overige is het hoger beroep ongegrond.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, ECLI:NL:GHSHE:2026:805
