Op 6 december 2020 ontvangt een vrouw een schenking van haar ouders ter grootte van € 103.643,-. ( de zogenoemde jubelton). De schenking betreft een gedeeltelijke kwijtschelding van een lening die de vrouw in 2016 bij haar ouders is aangegaan voor de eigen woning. De lening was verzekerd met een recht van eerste hypotheek en is aan haar verstrekt om haar in staat te stellen om in 2016 de eigen woning te kopen. Het geld is direct door de ouders van de vrouw overgeboekt naar de derdenrekening van de notaris die de levering van de woning heeft begeleid. Volgens de conceptakte had de lening een looptijd van 30 jaar en is deze aflossingsvrij; er is geen sprake van periodieke tussentijds aflossingen.
Lening is geen eigenwoningschuld
Voor de schenking doet de vrouw in de aangifte schenkbelasting een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling ten behoeve van de eigen woning van artikel 33, onder 5, sub c van de Successiewet 1956. Bij de aanslagregeling neemt de inspecteur het standpunt in dat de vrijstelling niet van toepassing is. Daarom wordt de aanslag schenkbelasting aan de vrouw opgelegd zonder toepassing van een verhoogde vrijstelling. De inspecteur past wel de (gewone) eenmalig verhoogde vrijstelling van € 26.457,- toe. De vrouw maakt bezwaar tegen het niet toekennen van de vrijstelling maar dat wordt door de inspecteur afgewezen.
In geschil voor de rechtbank Noord-Holland is ook of door het invullen van de aangifte schenkbelasting 2020, waarin een beroep is gedaan op deze vrijstelling, bij de vrouw het vertrouwen is gewekt dat de vrijstelling van toepassing is. Niet in geschil is dat de lening niet kwalificeert als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Volgens de wettelijke regeling voldoet de betreffende kwijtschelding niet aan de voorwaarde om te worden aangemerkt als een schenking waarvoor de vrijstelling ten behoeve van de eigen woning kan worden toegepast.
Aangiftebiljet en toelichting voldoende duidelijk
De vrouw stelt dat zij toch recht heeft op de (grote) vrijstelling omdat bij het invullen van het aangifteformulier schenkbelasting 2020 volgens de toelichting bij haar het vertrouwen is gewekt dat de vrijstelling wel van toepassing is. De vrouw stelt dat zij het aangiftebiljet tezamen met de toelichting stap voor stap en zeer zorgvuldig heeft doorgenomen en dat daaruit voor haar duidelijk bleek dat de vrijstelling in haar situatie wel van toepassing. Uit het aangiftebiljet en de toelichting blijkt niet dat de lening moest kwalificeren als een ‘eigenwoningschuld’ in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 om voor de vrijstelling in aanmerking te komen.
De rechtbank overweegt dat bij de toelichting bij de aangifte specifiek de begrippen ‘eigen woning’ en ‘eigenwoningschuld’ vermeld staan. Deze belastingtechnische begrippen zijn gedefinieerd in de belastingwetgeving, meer specifiek in de artikelen 3.111 en 3.119a van de Wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat in samenhang bezien daarmee, het aangiftebiljet tezamen met de toelichting duidelijk is. Daaruit blijkt namelijk dat de vrijstelling in een geval als dit (waarbij dus geen sprake is van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001) niet van toepassing is. Voor de vrouw had dit redelijkerwijs ook duidelijk en bekend moeten zijn.
Beroep op vertrouwensbeginsel faalt
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw verplicht is om, als zij gebruik wil maken van een (forse) vrijstelling, voldoende onderzoek te doen naar de voor de bewuste vrijstelling geldende eisen. Zij had ook nader onderzoek moeten doen naar de in de toelichting genoemde begrippen ‘eigen woning’ en ‘eigenwoningschuld’. Dan was het voor haar duidelijk geweest, althans had dit redelijkerwijs duidelijk voor haar moeten zijn, dat de vrijstelling in haar geval niet van toepassing is. Gelet op de voorwaarden waaronder de lening is aangegaan (aflossingsvrij), was dan immers duidelijk dat niet was voldaan aan de gestelde aflossingsvereisten.
De rechtbank overweegt verder dat nergens in het aangifteformulier zelf iets wordt vermeld over het al dan niet van toepassing zijn van de vrijstelling of het al dan niet hebben voldaan aan de voor de vrijstelling gestelde voorwaarden. Ook valt nergens in het aangifteformulier een mededeling of een bevestiging te lezen waaruit volgt dat daadwerkelijk recht bestaat op toepassing van de geclaimde vrijstelling of dat is voldaan aan de voor die vrijstelling geldende voorwaarden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt daarom ook. En daarmee ook het (ongegronde) beroep.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2026:12696
