Een man en een vrouw gaan op 3 oktober 2023 een geregistreerd partnerschap met elkaar aan en kiezen er in hun in maart 2024 ingediende aangifte IB/PVV voor het hele jaar fiscaal partner te zijn. In de IB/PVV-aangiften wordt het box 3-vermogen van € 216.754 volledig aan de man toegerekend. De inspecteur legt de aanslagen op en volgt daarbij de aangiften.
Vermogen boven vermogensgrens
De man ontvangt op 24 juli 2024 de definitieve beschikking van de dienst Toeslagen waarin een bedrag van € 4.810 wordt teruggevorderd. De reden voor de terugvordering is dat het vermogen van de man volgens de aanslag IB/PVV 2023 boven de vermogensgrens is. Per diezelfde datum maakt de man bezwaar tegen de beschikking van de dienst Toeslagen en zowel de man als de vrouw maken bezwaar tegen de aanslagen IB/PVV 2023.
Op 2 september 2024 dienen de man en de vrouw gewijzigde aangiften IB/PVV 2023 in waar in beide aangiften niet verzocht wordt om voor het hele jaar fiscaal partner te zijn. De inspecteur verklaart de bezwaren niet-ontvankelijk omdat deze buiten de bezwaartermijn zijn ontvangen. De inspecteur vat de bezwaren op als verzoeken om ambtshalve vermindering en wijst ook de verzoeken om ambtshalve vermindering af. Volgens hem kan de keuze om het gehele jaar fiscaal partner te zijn alleen worden gedaan of worden gewijzigd totdat de aanslagen onherroepelijk vaststaan.
Rechtbank Gelderland is van oordeel dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht heeft afgewezen. De rechtbank overweegt dat de aanslagen IB/PVV 2023 een dagtekening hebben van 24 mei 2024 en 5 juni 2024. De bezwaartermijnen eindigden op 5 juli 2024 en 17 juli 2024. De inspecteur heeft de bezwaarschriften op 29 juli 2024, dus buiten de bezwaartermijn, ontvangen.
Verschoonbaar
Niet-ontvankelijkheid van de bezwaren blijft echter achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de man en vrouw in verzuim is geweest, of met andere woorden als de te late indiening verschoonbaar is. Daarvan is sprake in het geval waarin de man en vrouw redelijkerwijs niet in staat waren tijdig bezwaar te maken.
De Hoge Raad heeft hierover in een arrest van 19 april 2024 geoordeeld dat de term ‘redelijkerwijs’ ruimte biedt om in gevallen waarin de verwijtbaarheid met betrekking tot de niet-tijdige indiening gering is, die termijnoverschrijding niet aan de indiener toe te rekenen. Het is echter vaste rechtspraak dat een na het verstrijken van de bezwaartermijn opgekomen reden om alsnog bezwaar te maken, niet ertoe leidt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar wordt.
Gemaakte keuze viel ongunstig uit
De rechtbank overweegt verder dat de man en vrouw pas bezwaar hebben gemaakt toen zij, als gevolg van de terugvordering door Dienst Toeslagen, beseften dat de in aangiften IB/PVV 2023 gemaakte keuzes financieel zeer ongunstig uitpakten. De reden om bezwaar te maken is dus na het verstrijken van de bezwaartermijn opgekomen en leidt daarom niet tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding. Dat de man en vrouw niet deskundig zijn op het gebied van het belastingrecht, dat slechts sprake zou zijn van een geringe termijnoverschrijding en dat zij alsnog voortvarend bezwaar hebben ingesteld, maakt daarbij niet uit.
De man en vrouw zijn op grond van artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 1.2 van de Wet IB 2001 in 2023 niet het gehele jaar fiscaal partner. De rechtbank merkt op dat op grond van artikel 2.17, zevende lid, van de Wet IB 2001, de man en vrouw ervoor kunnen kiezen om het gehele jaar fiscaal partner te zijn. Deze keuze moet worden gemaakt bij verzoeken in verband met voorlopige teruggaaf of bij aangifte, maar uiterlijk voordat één van de aanslagen onherroepelijk vaststaat.
Wijzigen tot aanslag onherroepelijk vaststaat
Als de man en vrouw hebben gekozen om het hele jaar fiscaal partner te zijn, dan kunnen zij op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 de onderlinge verhouding voor gemeenschappelijke inkomensbestanddelen nog wijzigen, totdat de aanslag of navorderingsaanslag van beiden onherroepelijk vaststaan.
De rechtbank heeft geoordeeld dat de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. Dit betekent dat de aanslagen IB/PVV 2023 onherroepelijk zijn komen vast te staan. De keuze om het gehele jaar fiscaal partner te zijn en de verdeling van de gemeenschappelijke inkomstenbestanddelen kunnen dan niet meer worden gewijzigd. Op grond van artikel 45aa, letter d, van de uitvoeringsregeling wordt dan geen ambtshalve vermindering verleend.
Dat leidt tot de conclusie en de gevolgen dat de beroepen ongegrond zijn en dat de aanslagen IB/PVV 2023 en de beschikking rendementsgrondslag IB/PVV 2023 niet worden gewijzigd.
Rechtbank Gelderland, ECLI:NL:RBGEL:2026:6005
