De werkgever moet daarom ruim 2.600 euro aan aanzegvergoeding betalen. De werknemer moet op zijn beurt ruim 800 euro terugbetalen vanwege te veel opgenomen verlof.
Dat heeft de kantonrechter in Rotterdam bepaald in een zaak over een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 2 maart 2026 eindigde. De werkgever besloot het contract daarna niet voort te zetten. Volgens de werknemer kreeg hij dat niet op tijd te horen en was daarom de wettelijke aanzegvergoeding verschuldigd. De werkgever stelde juist dat op 28 januari al een aanzegbrief was verstuurd.
Brief in AFAS
Omdat de arbeidsovereenkomst op 2 maart eindigde, moest de werkgever uiterlijk 2 februari schriftelijk laten weten of het contract zou worden voortgezet. De werknemer betwistte dat hij de brief van 28 januari had ontvangen. Daarmee kwam de vraag centraal te staan of de verklaring hem daadwerkelijk had bereikt.
De kantonrechter wees daarbij op artikel 3:37 lid 3 BW. Een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring moet die persoon hebben bereikt om werking te hebben. Het was daarom aan de werkgever om te onderbouwen dat de werknemer de brief had ontvangen, of dat het niet bereiken daarvan het gevolg was van een omstandigheid die voor rekening van de werknemer kwam.
Juist daar ging het mis. Voorafgaand aan de procedure had de werkgever meegedeeld dat de brief op 28 januari was “geregistreerd en verstuurd”. Ook in het verweerschrift stond dat de “brief uitdienst” die dag was geregistreerd en de bevestiging was verstuurd. Pas tijdens de zitting bleek dat de brief helemaal niet daadwerkelijk per post was verzonden. De werkgever had hem in het online portaal van AFAS geplaatst.
Hoe de werknemer vervolgens had moeten weten dat daar een brief voor hem klaarstond, bleef onduidelijk. Volgens de werkgever had hij een “bericht”, “mailtje” of “pushmelding” ontvangen. Zo’n bericht of mail werd echter niet overgelegd. Evenmin werd concreet gemaakt hoe de werknemer de melding zou hebben ontvangen en wat daarin stond.
Daarmee was volgens de kantonrechter onvoldoende onderbouwd dat de brief de werknemer had bereikt of dat het niet ontvangen ervan voor zijn rekening kwam. Omdat de stelling al onvoldoende was onderbouwd, zag de rechter ook geen aanleiding de werkgever bewijs te laten leveren. Aan de brief kwam daarom geen werking toe.
Einddatum op loonstrook niet genoeg
De werkgever voerde nog een tweede argument aan. Op de loonstroken van januari tot en met maart stond “uit dienst 02-03-2026”. Ook dat kon volgens de werkgever als een aanzegging worden beschouwd.
De kantonrechter ging daar niet in mee. Alleen het vermelden van een einddatum op een salarisstrook is geen schriftelijke mededeling van de werkgever dat het dienstverband niet wordt voortgezet. Een andere brief, van 2 maart 2026, kon de werkgever evenmin helpen. Zelfs als die als aanzegging kon worden beschouwd, was die pas op de laatste dag van het dienstverband verstuurd en daarmee te laat. De werkgever moest daarom op grond van artikel 7:668 lid 3 BW één maandsalaris als aanzegvergoeding betalen. Dat kwam neer op 2.603,81 euro.
De werknemer ontving op zijn loonstroken regelmatig ook een zogenoemde “booster”. Volgens de werkgever was dat een prestatie-afhankelijke bonus en de werknemer betwistte dat niet. De kantonrechter liet die buiten de berekening. Op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding telt een bonus niet mee voor de aanzegvergoeding. Dat de werknemer de booster naar eigen zeggen in de meeste maanden ontving, veranderde dat niet.
De gevraagde buitengerechtelijke incassokosten kreeg hij niet. Zijn gemachtigde had voorafgaand aan de procedure slechts enkele korte e-mails verstuurd. Dat was volgens de kantonrechter onvoldoende om voor vergoeding in aanmerking te komen. Pogingen om tijdens de lopende procedure alsnog tot een oplossing te komen, golden bovendien niet als buitengerechtelijke werkzaamheden.
Discussie over verlofuren
Tegenover de aanzegvergoeding stond een tegenvordering van de werkgever. Volgens het bedrijf was de werknemer uit dienst gegaan met een negatief verlofsaldo van 91,75 uur en moest hij daarom 1.566,21 euro terugbetalen.
Dat bedrag hield bij de kantonrechter maar gedeeltelijk stand. De werkgever stelde onweersproken dat de werknemer gedurende zijn dienstverband recht had op 190 verlofuren, terwijl hij 243,27 uur had opgenomen. Daarmee stond een negatief saldo van 53,27 uur vast.
Voor nog eens 23,92 uur aan zogenoemd negatief flexverlof ontbrak volgens de rechter een deugdelijke onderbouwing. Het zou gaan om uren waarin de werknemer niet had gewerkt maar ook geen verlof had opgenomen. Nadat de werknemer dat betwistte, legde de werkgever niet uit hoe die uren waren berekend. Waar de resterende 14,56 uur van het gestelde tekort vandaan kwamen, bleef eveneens onduidelijk. Ook tijdens de zitting kon de werkgever daarvoor geen begrijpelijke onderbouwing geven. De kantonrechter hield het daarom bij 53,27 te veel opgenomen uren.
Loon moet worden terugbetaald
De toepasselijke cao bepaalde dat een werkgever een negatief verlofsaldo met het salaris mocht verrekenen. De werkgever had dat bij het einde van het dienstverband niet gedaan. Volgens de kantonrechter impliceert het recht op verrekening echter ook dat de werkgever een vorderingsrecht heeft. Op grond van artikel 6:203 BW kon daarom terugbetaling worden verlangd van het loon dat was betaald over uren waarin de werknemer niet had gewerkt. Bij een uurloon van 15,81 euro kwam dat voor 53,27 uur uit op 842,20 euro.
De werknemer bracht daartegen in dat hij nooit was gewaarschuwd voor zijn negatieve verlofsaldo en ook niet de kans had gekregen extra te werken om het tekort in te lopen. Voor zover hij daarmee een beroep deed op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, was dat volgens de kantonrechter onvoldoende onderbouwd. Uit zijn salarisstroken had hem duidelijk kunnen zijn dat zijn verlofsaldo negatief was. Bovendien had hij niet gesteld dat hij daadwerkelijk bereid was geweest extra uren te werken. Mede omdat het om een relatief beperkt aantal uren ging, was terugbetaling volgens de rechter niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Per saldo moet de werkgever dus 2.603,81 euro aan aanzegvergoeding betalen en de werknemer 842,20 euro aan te veel ontvangen loon terugbetalen. De werkgever werd daarnaast veroordeeld tot 814 euro aan proceskosten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
