• Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
  • Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
Fiscaal Vanmorgen

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
Home » Geen rendement door contante opname spaargeld, box 3-heffing toch geen buitensporige last

Geen rendement door contante opname spaargeld, box 3-heffing toch geen buitensporige last

Nieuws

28 juni 2023 door Fiscaal Vanmorgen

Het Hof Amsterdam is van oordeel dat de box 3-heffing gelet op de algehele financiële situatie van een belastingplichtige en zijn partner geen buitensporige last vormt. Ook indien veronderstellenderwijs er vanuit wordt gegaan dat de man dient in te teren op zijn vermogen om de verschuldigde box 3-heffing te betalen, hetgeen hij ook betoogt, dan nog kan van een zodanige last naar oordeel van het Hof in dit geval geen sprake zijn.

De man had in 2014 geen inkomen uit werk en woning, zijn partner een inkomen van € 18.481. In hun aangiften IB/PVV 2014 hebben hij en zijn partner voor de eigen woning allebei een WOZ-waarde opgegeven van € 160.000 en een aftrekbare (hypotheek)rente van € 1.943. De eigenwoningschuld bedraagt in 2014 nog € 61.261. De bezittingen van de man en zijn fiscaal partner bestaan uit bank- en spaartegoeden (€ 996) en contant geld (€ 98.036).

Belastingaanslag

De inspecteur heeft aan de man in 2017 voor het jaar 2014 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 837. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van de belastingplichtige en zijn partner bedraagt € 1.883. Hiervan is € 837 aan de man toebedeeld, waarover € 251 inkomstenbelasting verschuldigd is in box 3. Het aan de partner toebedeelde deel bedraagt € 1.046 en dat leidt tot een box 3-heffing van € 313. De totale box 3-heffing voor de man en zijn partner bedraagt € 519 (te weten de totale box 3-heffing € 564 minus € 45 omdat dit door de partner te betalen bedrag onder de aanslaggrens bleef en derhalve op nihil is gesteld).

Hoger beroep

In hoger beroep is in geschil of de vermogensrendementsheffing voor belanghebbende in het jaar 2014 leidt tot een individuele en buitensporige last. De belastingplichtige stelt dat sprake is van een individuele en buitensporige last, omdat het gezinsinkomen zich onder de armoedegrens bevindt.

Juridisch kader

Voor zover de belastingplichtige heeft bedoeld te stellen dat de vermogensrendementsheffing in het jaar 2014 in strijd is met artikel 1 van het EP overweegt de rechtbank als volgt.

Wat betreft de strijdigheid van de vermogensrendementsheffing op stelselniveau en het al dan niet voorzien in het rechtstekort ziet de rechtbank geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan de Hoge Raad heeft gedaan in het arrest voor onder andere het jaar 2014 (Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816). Het voorgaande betekent dat, ook al zou voor het jaar 2014 een rendement van 1,2% niet meer haalbaar zijn zonder (veel) risico te hoeven nemen, voor een ingrijpen van de rechters geen plaats is, omdat het voor het jaar 2014 niet aan de rechter, maar aan de wetgever was om in het rechtstekort te voorzien.

Volgens vaste rechtspraak van het EHRM is belastingheffing te beschouwen als regulering van eigendom in de zin van artikel 1 van het EP bij het EVRM en dient elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht te zijn en een legitiem doel in het algemeen na te streven, terwijl een inbreuk slechts is toegestaan indien er een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke verhouding (“fair balance”) tussen voormeld algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de betrokken persoon wordt getroffen door een individuele en buitensporige last. Waar het gaat om de beoordeling van wat in het algemeen belang is en de keuze van de middelen om dit belang te dienen, komt de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toe. Een keuze van de wetgever binnen die beoordelingsvrijheid kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen (Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2). Bij de beoordeling of de belastingplichtige door de box 3-heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last, moet de rechter die heffing bezien in samenhang met de gehele financiële situatie van de betrokkene (Hoge Raad 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:831, r.o. 2.5.2). Daarbij is het inkomen uit werk en woning en uit aanmerkelijk belang een belangrijk aanknopingspunt (vgl. HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511). De rechter moet bij zijn onderzoek of de heffing een individuele en buitensporige last vormt, alle relevante feiten en omstandigheden in zijn oordeel betrekken. In een geval als dit, waarbij de vraag voorligt of de heffing van ib/pvv leidt tot een individuele en buitensporige last indien de heffing over het inkomen uit sparen en beleggen hoger is dan het werkelijk rendement, moet ook in aanmerking worden genomen of en in hoeverre een belastingplichtige een zodanig laag inkomen heet dat hij op zijn vermogen moet interen om de belasting te voldoen. In het algemeen kan immers worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. Daarom kan de omstandigheid dat de belastingplichtige door de heffing inteert zoals hier bedoeld, een aanwijzing zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een buitensporige last (Hoge Raad 2 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1047, r.o. 4.3.3). De bewijslast dat sprake is van een individuele en buitensporige last rust op de belastingplichtige.

Geen buitensporige last

Voor het onderhavige jaar is niet aannemelijk geworden dat voor de belastingplichtige sprake is van zodanige omstandigheden dat sprake is van een buitensporige last, oordeelt het hof. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt weliswaar nihil, maar de fiscaal partner heeft in 2014 een uitkering ontvangen van € 19.304. Naast het inkomen bezit de belastingplichtige, samen met zijn fiscaal partner, een woning met een WOZ-waarde van € 160.000, waar een hypotheek op rust van € 61.261. De belastingplichtige heeft weliswaar gesteld dat hij geen rendement op zijn spaargeld geniet omdat het om contant geld gaat en de box 3-heffing onevenredig hoog is, maar hij heeft er om hem moverende redenen, vrees voor beslaglegging, voor gekozen om het geld dat eerst op een spaarrekening stond bij de bank contant op te nemen. Daardoor heeft de belastingplichtige geen rendement genoten, terwijl er in 2014 nog wel rendement behaald had kunnen worden door het geld op een spaarrekening te laten staan. De inspecteur heeft ter zitting gesteld dat in 2014 een rendement van 1,5% op spaargeld haalbaar was en de belastingplichtige heeft dat niet weersproken. De belastingplichtige had, gelet daarop, zonder risico te nemen door zijn spaargeld op een spaarrekening aan te houden meer rendement kunnen behalen dan de vermogensrendementsheffing. Dat het gezinsinkomen zich onder de armoedegrens bevindt kan een aanwijzing zijn om te concluderen dat sprake is van een individuele en buitensporige last. In het geval van de belastingplichtige is echter sprake van een significante overwaarde op de eigen woning en heeft de belastingplichtige minder rendement gehaald op zijn vermogen dan de box 3-heffing als gevolg van een bewust door hem gemaakte keuze om het geld niet op een spaarrekening aan te houden maar in contanten om zo het risico van beslaglegging op dat vermogen te verminderen.

De rechtbank komt op grond van het voorstaande tot het oordeel dat eiser in 2014 niet in een zodanige bijzondere positie verkeerde dat voor hem sprake is van een individuele en buitensporige last.

Gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2023:1396

Interessant! Cursus Box 2 en 3 in 2023 | Drs. Jeroen Knol | 28 september 2023 | Bunnik

Categorie: Nieuws Tags: box 3, inkomstenbelasting, vermogensrendementsheffing

Tags: box 3, inkomstenbelasting, vermogensrendementsheffing

Gerelateerde artikelen

4 augustus 2026

Belastingdienst actualiseert uitleg over Opgaaf werkelijk rendement

23 juli 2026

Kennis over box 3-herstel blijft beperkt ondanks informatiebrief Belastingdienst

21 juli 2026

Collectief besluit over compensatie niet-bezwaarmakers box 3

20 juli 2026

Effectenportefeuille is verplicht privévermogen bij woningbouwproject

Docenten

Joost Severs
Hans Geuns
Bram Lemmens
Joep Swinkels
Kirsten Roskam
Tim van Wordragen
Ludo Mennes
Joost Diks
Patrick Wille
Winfred Merkus
Ewoud de Ruiter
Guney Bagislayici
Rob van Oosterhout
Erik van Toledo
Koert van Loon
Martin de Graaf
Jan van Wijngaarden
Matthijs van Keulen
Alex Schrijver
Bob de Koning
Peter Kerkhof
Willem Veldhuizen
Kees Beishuizen
Aimée van der Paardt
Wilbert Nieuwenhuizen
René van der Paardt
Pieter Kok
Ognjen Soldat
Chris Dijkstra
Almer de Beer
Almer de Beer
Arnaud Booij
Albert Heeling
John Bult
Ron Mulder
Edwin de Witte
Barry Willemsen
jan wietsma
Jan Wietsma
Jasper van den Bergen
Roger van de Berg
Jan Mooren
Bart Koreman
Rohalt Janssens
Michiel Pouwels
Jeroen Knol
Rakesh Ghirah
Chanien Engelbertink
Debby Kettler
Debby Kettler
Martijn Paping
Martijn Paping
Heleen Elbert
Mike Wong
Jurriën van der Heijden
Hanneke Kroonenberg
Teunis van den Berg
Bob van Leeuwen
Casper Mons
Tom Berkhout
Imke Bos
Audrey Brunings
Derwish Rosalia
Kirsten Kievit
Martine Cranendonk
Léon de Jager
Marja van den Oetelaar
Hans Tabak
Martijn Bedaux
Herman van Kesteren
Bernard Schols
Olga Jansen
Daan van Antwerpen

Blogs

  • Notaris kon btw op kosten niet volledig aftrekken! 22 weergaven
  • Verlegging van invoer-btw in Nederland: van vooruitstrevend naar achter de feiten aan lopen 8 weergaven
  • Goede doelen en btw; 5 tips waar je als goed doel aan moet denken 5 weergaven
  • Hof van Justitie: verplichte vermelding op factuur bij toepassing vereenvoudigde ABC-regeling 5 weergaven

Fiscaal Vanmorgen (FV) is het platform voor belastingadviseurs, fiscalisten, accountants en iedereen die geïnteresseerd is in fiscale opleidingen en fiscaal nieuws.

Fiscaal Vanmorgen is een uitgave van MOCuitgevers Vanmorgen.

 

Categorie

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière

Info

  • Over ons
  • Contact
  • Algemene voorwaarden MOCuitgevers Vanmorgen
  • Annuleringsvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
Cookies
Om u beter van dienst te kunnen zijn, maakt Fiscaal Vanmorgen gebruik van cookies.
  • Ik ga akkoord
  • Instellingen
  • Functionele cookies zijn noodzakelijk voor de werking van deze website
  • We gebruiken Google Analytics, netjes geanonimiseerd
  • Annuleren
  • Ik ga akkoord

Instellingen