
Een belastingplichtige man geeft in een beroepsprocedure aan dat hij onvoldoende is gehoord. Na een telefonisch contact met de inspecteur stelt die vast dat de man geen behoefte meer heeft aan een hoorgesprek en doet hij uitspraak op het bezwaar. Door deze voorbarige conclusie is het hoorrecht geschonden, oordeelt Rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Een belastingplichtige man woont sinds 20 april 2010 in Duitsland en heeft in 2018 een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WGA-uitkering) ontvangen uit Nederland. In zijn aangifte over 2018 geeft hij een belastbaar inkomen uit werk en woning aan van € 10.732.
Tegen de aanslag die de inspecteur hem op 14 oktober 2021 oplegt met een belastbaar inkomen van € 10.372 maakt de man bezwaar. Op 16 december 2021 reageert de inspecteur daarop door te stellen dat hij het bezwaar van de man wil afwijzen.
De inspecteur wijst de man er in een brief op dat als hij niet vóór 7 januari 2022 met een schriftelijke reactie komt, hij ervan uitgaat dat hij afziet van de mogelijkheid om gehoord te worden. Op 3 januari 2022 is er telefonisch tussen de man en de inspecteur en nog op diezelfde dag wijst de inspecteur het bezwaar af.
De man ontvangt vervolgens een navorderingsaanslag IB/PVV met als dagtekening 19 januari 2022. Het belastbaar inkomen wordt daarbij vastgesteld op € 24.504.
De man vindt dat hij ten onrechte niet is gehoord. In het telefoongesprek met de inspecteur is immers aan hem meegedeeld dat eerst intern overleg zou plaatsvinden alvorens uitspraak op bezwaar zou worden gedaan. Daaraan is echter geen gevolg gegeven door de inspecteur en toen is ineens uitspraak op bezwaar gedaan.
Schending hoorrecht
De inspecteur geeft aan op basis van het telefoongesprek ervan uitgegaan te zijn dat er bij de man geen behoefte meer bestond aan een hoorgesprek, wat de man betwist. De rechtbank stelt dat zij niet kan vaststellen wat er exact in dat gesprek is besproken nu vastleggingen daarvan ontbreken.
De rechtbank kan echter wel vaststellen dat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan vóór de schriftelijk gestelde reactietermijn om aan te geven of er behoefte was aan een hoorgesprek was verlopen.
De conclusie van de rechtbank is dat de inspecteur door niet de gestelde reactietermijn voor het horen af te wachten, maar tijdens de gegeven termijn al uitspraak op bezwaar te doen, het hoorrecht heeft geschonden in de bezwaarfase.
Tot slot vindt de rechtbank dat de zaak moet worden terugverwezen naar de inspecteur, met de opdracht om de man alsnog de gelegenheid te bieden om te worden gehoord en dan vervolgens uitspraak op bezwaar te doen.
Heroverwegingsfunctie
Dit betekent overigens niet dat de inspecteur verplicht is om inhoudelijk een ander standpunt in te nemen. Het betekent alleen dat de heroverwegingsfunctie, inclusief horen in de bezwaarfase, tot zijn recht dient te komen.
Wat betreft de navorderingsaanslag, zo vindt de rechtbank, moet als uitgangspunt eerst bezwaar worden gemaakt voordat beroep kan worden ingesteld. De rechtbank acht dat beroep prematuur, omdat er namelijk nog geen bezwaarprocedure is geweest en verklaart daarom dat beroep niet-ontvankelijk.
