
De Kennisgroep aanmerkelijk belang heeft de vraag beantwoord bij wie het forfaitaire voordeel in aanmerking moet worden genomen ingeval er sprake is van een vruchtgebruik van de aandelen en op welke wijze er bij de vruchtgebruiker en bij de blooteigenaar van de aandelen rekening wordt gehouden met dividenduitkeringen.
Aanleiding
X heeft de blote eigendom van alle aandelen in A BV. Y heeft het vruchtgebruik van deze aandelen. De waarde in het economisch verkeer (hierna: wev) van de blote eigendom van de aandelen in A BV bedraagt bij het begin van het kalenderjaar 60% van de wev van de volle eigendom van deze aandelen. De wev van het vruchtgebruik bedraagt 40% hiervan.
A BV is een vrijgestelde beleggingsinstelling in de zin van artikel 6a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969).
In het kalenderjaar is door A BV aan Y een dividend uitgekeerd van € 60.000.
Zonder rekening te houden met dit dividend en de eigendomsverhoudingen, bedraagt het forfaitaire voordeel dat op grond van artikel 4.14 juncto artikel 4.13, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) uit de aandelen in A BV in aanmerking genomen moet worden € 50.000.
Vraag
- Bij wie moet het forfaitaire voordeel in aanmerking worden genomen?
- Op welke wijze wordt in het kader van het forfaitaire voordeel rekening gehouden met dividenduitkeringen bij de vruchtgebruiker en bij de blooteigenaar?
Antwoord
Het forfaitaire voordeel uit aandelen moet in aanmerking worden genomen bij zowel de blooteigenaar als bij de vruchtgebruiker op basis van de wev van de blote eigendom onderscheidenlijk het vruchtgebruik van deze aandelen.
Het forfaitaire voordeel wordt kort gezegd gesteld op 6,17% (percentage voor het belastingjaar 2023) per jaar van de wev van de aandelen verminderd met de overige op grond van artikel 4.12, onderdeel a, Wet IB 2001 in aanmerking genomen reguliere voordelen, met dien verstande dat het forfaitaire voordeel ten minste op nihil wordt gesteld.
Dividenden die worden uitgekeerd aan de vruchtgebruiker vormen een regulier voordeel voor de vruchtgebruiker en worden bij de vruchtgebruiker in aanmerking genomen. Het forfaitaire voordeel van de vruchtgebruiker wordt met dit regulier voordeel verminderd, maar niet verder dan tot nihil.
Voor zover het in aanmerking te nemen reguliere voordeel hoger is dan het forfaitaire voordeel dat bij de vruchtgebruiker in aanmerking moet worden genomen, kan op grond van een redelijke wetstoepassing het meerdere worden meegenomen bij de bepaling van het forfaitaire voordeel van de blooteigenaar.
Een nadere beschouwing hierover is te vinden bij het door de Belastingdienst gepubliceerde standpunt.
