Een dga houdt in 2017 alle aandelen in een werkmaatschappij en stelt zich hoofdelijke aansprakelijkheid voor de door de bank verstrekte leningen. Op 20 juli 2017 worden de aandelen in de werkmaatschappij verkocht voor € 1.000,-. Twee weken daarvoor kondigt de inspecteur een boekenonderzoek aan bij de holding en de werkmaatschappij naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting, omzetbelasting en loonheffingen over de jaren/tijdvakken 2012 tot en met 2015. Op 14 november 2017 wordt het faillissement van de werkmaatschappij uitgesproken.
Regresvordering op werkmaatschappij
Na het faillissement van de werkmaatschappij startte de FIOD een strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke faillissementsfraude. De inspecteur legt de dga en zijn echtgenote een aanslag IB/PVV 2017 op naar een gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang van € 860.850,- waarbij aan ieder de helft is toegerekend. De dga is het daar niet mee eens en maakt bezwaar en gaat na de afwijzing door de inspecteur in beroep bij de rechtbank Gelderland en later bij hof Arnhem-Leeuwarden. De dga is namelijk ook van mening dat hij in 2017 een negatief belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de vorm van een terbeschikkingstellingsverlies van € 532.265,- in aanmerking kan nemen.
De dga voert als argument aan dat hij in totaal € 1,2 miljoen heeft afgelost aan de bank van de nog resterende hypotheekschuld voor de aankoop van de eigen woning. De dga was hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden uit de kredietovereenkomst, gesloten tussen de bank en de werkmaatschappij. Volgens de dga kreeg hij daardoor een regresvordering op de werkmaatschappij, omdat die draagplichtig was voor de schuld. De dga stelt dat hij ten aanzien van die regresvordering al in 2017 een voorziening kon vormen, omdat de draagplichtige werkmaatschappij in datzelfde jaar failliet is verklaard. En dat hij aangesproken zou gaan worden tot aflossing van de schuld aan de bank.
Het hof is van oordeel dat de dga niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de aflossing van een schuld van € 1.200.000,- aan de bank een verhaalsrecht op de werkmaatschappij heeft verkregen van € 532.265,-. De dga heeft geen stukken overgelegd waaruit volgt dat tussen de werkmaatschappij en de dga afspraken zijn gemaakt over de draagplicht ten aanzien van de schulden uit hoofde van de kredietovereenkomst.
Geen verhaalsrecht en geen voorziening
De dga heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat ná de verkoop van de werkmaatschappij schulden onder de kredietovereenkomst zijn ontstaan, waarvoor hij hoofdelijk aansprakelijk was. Nu niet aannemelijk is geworden dat de dga een verhaalsrecht had op de werkmaatschappij voor een bedrag van € 532.265,- kan geen voorziening worden gevormd voor een toekomstige regresvordering uit hoofde van een dergelijk verhaalsrecht en is van een terbeschikkingstellingverlies in 2017 geen sprake.
Het hof had al geoordeeld dat de dga niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een verhaalsrecht had op de werkmaatschappij. Daarom kan het hof de dga niet volgen in zijn standpunt dat de verkrijgingsprijs van de aandelen moet worden opgehoogd met een informele kapitaalstorting van € 532.265,-. Vervolgens beoordeelt het hof of de rechtbank het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang terecht had verminderd.
Onttrekkingen die leiden tot winstuitdeling
De inspecteur heeft, ter onderbouwing daarvan, verwezen naar het overzichtsproces-verbaal. Dit bevat een opsomming van activa waarvan de inspecteur zich op het standpunt stelt dat die voorafgaand aan de overdracht van de aandelen in 2017 zijn onttrokken aan het vermogen van de werkmaatschappij en deels tot winstuitdelingen hebben geleid. Dit betreft overboekingen vanaf de bankrekening van de werkmaatschappij naar de privérekening van de dga voor een bedrag van € 135.000,- en voor een bedrag van € 100.000,- naar de privérekening van de stiefzoon.
De dga betwist dat deze bedragen zijn onttrokken aan het vermogen van de werkmaatschappij. Omdat het op enig moment financieel zo goed ging met de werkmaatschappij moesten bedragen worden opgenomen die over de betalingslimiet van de bankpas van de werkmaatschappij heengingen. Er is daarom gebruik gemaakt van de bankrekening van de stiefzoon, die het overgeboekte geld weer van zijn rekening heeft gehaald met gebruik van zijn bankpas en vervolgens heeft gestort in de kas van de werkmaatschappij.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de bedragen die zijn overgeboekt naar de rekening van de dga en zijn stiefzoon van in totaal € 235.000,- zijn onttrokken aan het vermogen van de werkmaatschappij. Het hof acht de verklaring van de dga dat deze gelden vervolgens weer zijn gebruikt binnen de onderneming van de werkmaatschappij niet aannemelijk. De dga heeft geen bewijs geleverd dat zijn verklaring ondersteunt.
Bewust van overboekingen en bevoordeling
Het hof is verder van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het onttrokken bedrag van € 235.000,- moet worden aangemerkt als een winstuitdeling. De dga heeft niet weersproken dat het totaalbedrag van de overboekingen van € 235.000,- kon plaatsvinden uit winstreserves van de werkmaatschappij. Uit de diverse verklaringen die tegenover de FIOD zijn afgelegd volgt verder dat de dga, die enig aandeelhouder en bestuurder van de werkmaatschappij was, op de hoogte was van de overboekingen. Daarom moet worden aangenomen dat zowel de dga als de werkmaatschappij zich bewust waren van de overboekingen en zich ervan bewust waren dat deze overboekingen ten doel hadden (uiteindelijk) de dga te bevoordelen.
Tot het gemeenschappelijk aangegeven inkomen uit aanmerkelijk belang had de dga in zijn aangifte ter zake van deze winstuitdeling dus een extra bedrag van € 235.000,- aan belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang moeten aangeven. Nu de dga dit niet heeft gedaan is naar het oordeel van het hof sprake van een gebrek in de aangifte dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV, verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV.
Aanslag blijft in stand
Omdat de winstuitdeling van € 235.000 niet in de aangifte was vermeld, heeft de dga volgens het hof niet de vereiste aangifte gedaan. Daardoor rustte op hem de verzwaarde bewijslast om overtuigend aan te tonen dat het door de inspecteur vastgestelde inkomen uit aanmerkelijk belang te hoog was.
Daarin slaagt hij niet. De dga heeft zijn stellingen over de onttrekkingen aan de werkmaatschappij niet met relevante feitelijke gegevens onderbouwd. Het hof geeft de inspecteur daarom gelijk in incidenteel hoger beroep. De rechtbank had het gemeenschappelijk inkomen uit aanmerkelijk belang ten onrechte verminderd. De aanslag IB/PVV 2017 blijft in stand zoals die na bezwaar was vastgesteld.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, ECLI:NL:GHARL:2026:2740
