Onder verwijzing naar het Kerstarrest oordeelt rechtbank Zeeland-West-Brabant dat een belastingplichtige man door het forfaitaire stelsel, zoals volgt uit de Wet IB 2001, onrechtmatig wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement.
Een man heeft op 31 december 2020 zijn woning verkocht voor een bedrag van € 643.000,-. Het bedrag van de koopsom wordt eerst op de derdengeldenrekening van de notaris gestort en kort na 1 januari 2021 op zijn eigen bankrekening. Voor rechtbank Zeeland-West-Brabant is het de vraag of de man op het vorderingsrecht op de notaris geen, dan wel een verwaarloosbaar rendement geniet.
De man is van mening dat de ontvangen koopsom die op peildatum 1 januari nog op de derdengeldenrekening van de notaris stond wel terecht in box 3 is meegenomen, maar niet tegen een rendement van 5,69%.
Aanname dat meer dan 5% rendement is genoten onterecht
Volgens hem is het feitelijk rendement nihil geweest omdat het geld altijd op een bankrekening heeft gestaan en de notaris ook geen rente heeft vergoed. Dat dan wordt gedaan alsof meer dan 5% rendement zou zijn genoten over deze aanzienlijke som geld, waar dan vervolgens de belasting over wordt berekend, vindt hij niet terecht. De overige bezittingen van de man van € 189.420,- bestaan uit de bloot eigendom van een woning waarvan zijn ouders het vruchtgebruik hebben. De man geeft verder aan dat hij hierover niet echt inkomsten geniet en over de banktegoeden geen rente dit jaar heeft genoten.
De inspecteur is van mening dat de Wet rechtsherstel box 3 niet van toepassing is. De theoretische belasting conform Wet rechtsherstel box 3 valt volgens hem namelijk hoger uit dan de belasting die voortvloeit op basis van het forfaitair stelsel van de Wet IB 2001. Hij stelt dat de koopsom die op peildatum stond op de derdengeldenrekening van de notaris terecht als een ‘overige bezitting’ is aangemerkt en niet als een banktegoed. Daarvoor geldt nu eenmaal dat een rendement van 5,69% wettelijk verondersteld wordt ook al is dat rendement niet daadwerkelijk behaald. In het kader van het bloot eigendom vindt hij niet dat het werkelijk rendement nihil bedroeg omdat rekening moet worden gehouden met een mogelijke ongerealiseerde vermogenswinst.
Kerstarrest
Onder verwijzing naar het Kerstarrest HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3 is de rechtbank van oordeel dat door het forfaitaire stelsel zoals volgt uit de Wet IB 2001 de man onrechtmatig wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement. Het staat voor beide partijen vast staat vast dat er op het vorderingsrecht op de notaris, kort gezegd de ontvangen koopsom van de verkoop van het huis die op de derdengeldenrekening van de notaris stonden op de peildatum, geen dan wel een verwaarloosbaar rendement is genoten.
Verder is de rechtbank van oordeel dat eventuele ongerealiseerde vermogenswinsten op het bloot eigendom niet vallen onder ‘werkelijk behaald rendement’. De man heeft in het betreffend jaar in werkelijkheid geen rendement behaald, dus ook niet op de overige vermogensbestanddelen. De rechtbank geeft de doorslag aan een meer grammaticale uitleg op dit punt ook bezien tegen de achtergrond van de belasting waar het in dit geval over gaat namelijk een belasting op inkomen. De rechtbank sluit aan bij het werkelijke rendement over het gedeelte van het vermogen dat in de aangifte aan de man is toegerekend. Hierdoor biedt de rechtbank rechtsherstel door het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te beperken tot het op dit vermogen werkelijk behaald rendement wat nihil is.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2024:2584