De op rechtsherstel gerichte compensatie dient aan te sluiten bij het daadwerkelijk rendement zoals de feitelijk genoten renten en dividenden, zo oordeelt rechtbank Den Haag.
In zijn aangifte IB/PVV 2021 geeft een man een box 3-inkomen aan van € 32.784,-. De rendementsgrondslag voor het box 3-inkomen is € 942.654,-. Dit inkomen bestaat uit bank en spaartegoeden van € 47.957,- en uit beleggingen van € 894.697,-. Na aftrek van het heffingsvrijvermogen wordt van de rendementstoeslag een bedrag van € 757.260,- aan de man toegerekend en de rest aan zijn partner.
De inspecteur legt de aanslag op conform de aangifte. Voor rechtbank Den Haag gaat het geschil over de vraag of het box 3-inkomen juist is vastgesteld. De man stelt in beroep dat zijn werkelijk behaalde rendement lager is dan het forfaitaire. De aanslag moet volgens hem dan ook worden verminderd.
Feitelijk genoten rente en dividenden
Rechtbank Den Haag verwijst naar de uitspraken van gerechtshof Den Haag van 4 oktober 2023 waarin is vastgelegd dat de op rechtsherstel gerichte compensatie dient aan te sluiten bij het daadwerkelijke rendement. In dit geval gaat het om de feitelijk genoten rente en dividenden, die € 2.274,- bedraagt. Dat is een significante afwijking met het forfaitaire inkomen van € 32.784,-. Het box 3-inkomen dient daarom verminderd te worden en het beroep wordt gegrond verklaard.
Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2024:1278
