• Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
  • Spring naar de hoofdnavigatie
  • Door naar de hoofd inhoud
  • Spring naar de eerste sidebar
  • Spring naar de voettekst
  • Over ons
  • Contact
  • Adverteren
  • Nieuwsbrief
Fiscaal Vanmorgen

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière
Home » Gang Kubus naar Hoge Raad waarschijnlijk vruchteloos

Gang Kubus naar Hoge Raad waarschijnlijk vruchteloos

Nieuws

Franchise administratiekantorenformule Kubus procedeert al enkele jaren tegen een voormalige franchiser over een uittreedvergoeding die hij verschuldigd zou zijn. Tot nu toe was dat zowel bij de bij de rechtbank als het hof steeds tevergeefs.

22 november 2024 door Fiscaal Vanmorgen

Dat weerhield Kubus er niet van om het bij de Hoge Raad nog een laatste maal te proberen. Maar de vrijdag gepubliceerde conclusie van procureur-generaal Bastiaan Assink zal de kantorenformule niet veel hoop geven. Wat Assink betreft is het cassatieberoep niet succesvol. De Hoge Raad neemt een conclusie meestal over, maar niet altijd.

Franchiseovereenkomst

Het coöperatielid was in 2015 een administratiekantoor begonnen en sloot zich toen aan bij Kubus. Kubus en het lid sloten een overeenkomst, die inhoudt dat het lid toetreedt tot de coöperatie en verder onder meer regelt dat het lid de formule en handelsnaam van Kubus mag gebruiken en de door het lid aan Kubus te betalen vergoedingen, waaronder een intreed- en een uittreedvergoeding. Het einde van het lidmaatschap van Kubus betekent het einde van de overeenkomst tussen Kubus en het lid en andersom, zo bevestigden beide partijen bij de mondelinge behandeling in hoger beroep. Het lid schreef Kubus op 29 juni 2020: “Hierbij zeg ik het lidmaatschap (…) op per 31 juli 2020.” Kubus vorderde daarna € 10.000,- uittreedvergoeding, maar de rechtbank Overijssel wees dat af.

Hoger beroep

Kubus voerde bij het hof aan dat in deze zaak geen sprake is van een ledenovereenkomst maar van een franchiseovereenkomst en dat geen sprake is van een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW maar van een vergoeding voor het einde van de franchiserelatie. Het lid heeft met gebruikmaking van de franchiserelatie een onderneming kunnen opbouwen en moet daar een vergoeding voor betalen, aldus Kubus.

Het lid zelf stelde dat de overeengekomen vergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van artikel 2:60 BW, en dat Kubus zich daar bij gebrek aan statutaire grondslag niet op kan beroepen. Ook betoogde de franchiser dat een beroep op de uittreedvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat hij dan zowel bij intreding als bij uittreding voor goodwill moet betalen, hij door Kubus gebrekkig begeleid is, de omzet veel lager was dan voorgespiegeld, een ander Kubus-lid klanten wierf in zijn exclusieve gebied en de uittreedvergoeding inmiddels door Kubus is afgeschaft.

Hoger beroep afgewezen

Het hof stelde net als de rechtbank de franchiser in het gelijk: ‘Het gaat in deze zaak om een uittreedvergoeding, een uittreedvoorwaarde in de zin van artikel 2:60 BW. Partijen hebben de vergoeding zelf zo aangeduid in de overeenkomst, die “ledenovereenkomst” is genoemd. De vergoeding is verschuldigd, zo volgt uit de hiervoor aangehaalde considerans en lid 3, bij het einde van het lidmaatschap. Kubus maakt er aanspraak op vanwege, zoals zij aanvoert, het einde van de overeenkomst, maar gaat er (net als [het lid] ) van uit dat het einde van de overeenkomst samenvalt met het einde van het lidmaatschap. Uit het hiervoor geschetste juridisch kader vloeit voort, anders dan Kubus heeft betoogd, dat zo’n vergoeding een statutaire grondslag moet hebben. Omdat die er niet is, is de verplichting tot het betalen van de uittreedvergoeding in strijd met de dwingende wetsbepaling van artikel 2:60 BW en kan Kubus zich daar niet op beroepen.

Dat sprake is van een vergoeding op grond van (en wegens het einde van) een franchiseovereenkomst, die zozeer los staat van de lidmaatschapsverhouding dat artikel 2:60 BW daar niet aan in de weg staat, heeft Kubus onvoldoende toegelicht. Kubus heeft ervoor gekozen haar franchiseorganisatie in te bedden in een coöperatie, zodat daarop het dwingendrechtelijk kader van een coöperatie van toepassing is. Iedere franchisenemer is lid van de coöperatie en sluit een overeenkomst met de coöperatie zoals de “ledenovereenkomst” die [het lid] sloot. Als de ene rechtsbetrekking eindigt, eindigt noodzakelijkerwijs ook de andere. De tekst van de overeenkomst verbindt de vergoeding expliciet aan het uittreden als lid. Daarvoor is een statutaire grondslag nodig.’

Hoge Raad

Procureur-Generaal  (PG) Assink ziet nu na een uitgebreide beschouwing over art. 2:60 BW geen heil in het cassatieberoep dat Kubus instelde. De franchiseformule stelde onder andere aan de orde of de in de overeenkomst bedongen uittreedvergoeding een uittreedvoorwaarde is in de zin van art. 2:60 BW. En of dit beding gelet op art. 2:60 BW werking heeft, oftewel rechtsgeldig/afdwingbaar is, niettegenstaande het ontbreken van een grondslag voor dit beding in de statuten van Kubus.

Kubus klaagde onder meer dat het hof heeft miskend: (a) dat tussen partijen de overeenkomst is gesloten, waarin geregeld is zowel hun onderlinge (franchise)verhouding als het lidmaatschap van [de franchisenemer, red.] van de coöperatie; en (b) dat de beëindiging van de franchiseverhouding door opzegging van de overeenkomst tevens het einde van het lidmaatschap meebrengt. De kennelijke strekking van de afspraken is dat “de Ondernemer” bij het aangaan van de franchiseovereenkomst tevens lid wordt van de coöperatie. Daaruit volgt dat het beëindigen van de franchiseovereenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Daarom is volgens Kubus onjuist dan wel onbegrijpelijk ’s hofs oordeel dat de ondernemer ([de franchisenemer, red.]) wegens de beëindiging van zijn lidmaatschap van de coöperatie een vergoeding verschuldigd zou zijn. Want van [de franchisenemer, red.] is een vergoeding verschuldigd op grond van (de opzegging van) de overeenkomst, voerde Kubus aan.

Dat subonderdeel faalt echter wat de PG betreft. Het mist feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest, voor zover het aanvoert dat het hof voorbijziet aan (a) en (b) als bedoeld in het subonderdeel. En dat het hof eraan voorbijziet, kort gezegd, dat ‘de ondernemer’ (hier [de franchisenemer, red.] ) bij het aangaan van de overeenkomst met Kubus tevens lid wordt van de coöperatie en dat het beëindigen van de overeenkomst het einde van het lidmaatschap tot gevolg heeft. Het hof onderkent dit een en anders immers wel degelijk in het arrest, concludeert de PG.

Bovendien leest hij in het subonderdeel geen klacht, “althans niet een die voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv, waaruit volgt dat en waarom deze specifieke oordelen van het hof de toets der kritiek in cassatie niet zouden kunnen doorstaan. Hetzelfde geldt voor ’s hofs vaststelling in rov. 3.5, tweede zin dat [verweerder] aan Kubus op 29 juni 2020 heeft geschreven: “Hierbij zeg ik het lidmaatschap (…) op per 31 juli 2020”. Overigens valt, zeker zonder méér (wat in het subonderdeel dus ontbreekt), ook niet in te zien dat deze oordelen en vaststelling onjuist dan wel onbegrijpelijk zouden zijn.”

Een ander subonderdeel verdedigde in de kern dat, “nu in uitgangspunt werking toekomt aan een uittreedvoorwaarde in de zin van art. 2:60 BW als vervat in een zuiver contractueel beding tussen het lid en de coöperatie (dus zónder grondslag in de statuten van de coöperatie) dat door hen is overeengekomen voorafgaand aan of uiterlijk bij toetreding tot de coöperatie, art. 2:60 BW niet in de weg staat aan werking van de onderhavige uittreedvoorwaarde in de zin van deze bepaling, te weten de uittreedvergoeding die [de franchisenemer, red.] vanwege diens uittreden verschuldigd is aan Kubus op grond van de overeenkomst.”

Volgens de PG  vindt deze opvatting echter geen steun in het recht en huldigt het hof deze opvatting dus terecht niet in het arrest. “Want art. 2:60 BW staat aan die werking dus in beginsel wél in de weg. Dat in het onderhavige geval rechtvaardiging bestaat voor een uitzondering op dit beginsel op grond van art. 2:8 lid 2 BW (dan wel anderszins) valt niet in te zien, evenmin op basis van hetgeen het subonderdeel aanvoert (dat overigens geen kenbaar beroep doet op een uitzondering op dit beginsel). […] Daarmee is gegeven dat de onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering die het subonderdeel het hof tracht aan te wrijven zich in werkelijkheid niet voordoet.”

De conclusie strekt al met al tot verwerping van het cassatieberoep. Het is nog niet bekend wanneer de Hoge Raad met een definitief oordeel komt.

Hof: franchiser hoeft geen uittreedvergoeding aan Kubus te betalen

Categorie: Nieuws Tags: administratiekantoor, coöperatie, franchise, Hoge Raad, uittreding

Tags: administratiekantoor, coöperatie, franchise, Hoge Raad, uittreding

Gerelateerde artikelen

22 juni 2026

Hoge Raad: Duits pensioen alleen belast voor deel waarvoor premie aftrekbaar was

19 juni 2026

Hoge Raad verduidelijkt positie van derden bij fiscale vorderingen in faillissement

17 juni 2026

Rechter fluit Rabobank terug over beëindiging bankrelatie met belastingadvies- en administratiekantoor

16 juni 2026

Kennisgroep: uittreedgeld coöperatie verhoogt belastbare winst

Docenten

Guney Bagislayici
Kees Beishuizen
Jurriën van der Heijden
Léon de Jager
Jan Mooren
Alex Schrijver
Joep Swinkels
Arnaud Booij
Tim van Wordragen
Rakesh Ghirah
Bob de Koning
Ron Mulder
Martin de Graaf
Chanien Engelbertink
Joost Severs
Barry Willemsen
Hans Tabak
Chris Dijkstra
Martine Cranendonk
Willem Veldhuizen
Erik van Toledo
Imke Bos
Almer de Beer
Almer de Beer
Albert Heeling
Ognjen Soldat
Casper Mons
Herman van Kesteren
Heleen Elbert
Debby Kettler
Debby Kettler
Koert van Loon
Daan van Antwerpen
Mike Wong
Bob van Leeuwen
Jasper van den Bergen
Ludo Mennes
Aimée van der Paardt
Kirsten Roskam
Teunis van den Berg
Hans Geuns
John Bult
Audrey Brunings
Bart Koreman
Patrick Wille
Winfred Merkus
jan wietsma
Jan Wietsma
Derwish Rosalia
Jan van Wijngaarden
René van der Paardt
Jeroen Knol
Michiel Pouwels
Edwin de Witte
Martijn Bedaux
Roger van de Berg
Wilbert Nieuwenhuizen
Marja van den Oetelaar
Hanneke Kroonenberg
Bernard Schols
Tom Berkhout
Bram Lemmens
Rohalt Janssens
Kirsten Kievit
Joost Diks
Peter Kerkhof
Martijn Paping
Martijn Paping
Pieter Kok
Ewoud de Ruiter
Olga Jansen
Rob van Oosterhout
Matthijs van Keulen

Blogs

  • Notaris kon btw op kosten niet volledig aftrekken! 27 weergaven
  • Verlegging van invoer-btw in Nederland: van vooruitstrevend naar achter de feiten aan lopen 10 weergaven
  • Goede doelen en btw; 5 tips waar je als goed doel aan moet denken 8 weergaven
  • OSS en de USA ondernemer: de O staat voor onmogelijk 4 weergaven

Fiscaal Vanmorgen (FV) is het platform voor belastingadviseurs, fiscalisten, accountants en iedereen die geïnteresseerd is in fiscale opleidingen en fiscaal nieuws.

Fiscaal Vanmorgen is een uitgave van MOCuitgevers Vanmorgen.

 

Categorie

  • Opleidingen
  • Summercourse
  • E-learnings
  • Incompany
    • Incompany gemeenten
  • Docenten
    • Blogs
  • Nieuws
  • Specialisten
  • Dossiers
  • Vacatures
    • Kantoren
    • Carrière

Info

  • Over ons
  • Contact
  • Algemene voorwaarden MOCuitgevers Vanmorgen
  • Annuleringsvoorwaarden
  • Privacybeleid
  • LinkedIn
  • Facebook
  • Twitter
  • Mail
Cookies
Om u beter van dienst te kunnen zijn, maakt Fiscaal Vanmorgen gebruik van cookies.
  • Ik ga akkoord
  • Instellingen
  • Functionele cookies zijn noodzakelijk voor de werking van deze website
  • We gebruiken Google Analytics, netjes geanonimiseerd
  • Annuleren
  • Ik ga akkoord

Instellingen